English

Uitspraken

HR 26.1.2018 ECLI:NL:HR:2018:111

Vanaf jaren 90 zijn gemeente en bedrijfseigenaar in gesprek over verplaatsing van bedrijf.
In juni 2002 sluiten partijen overeenkomst en in mei 2004 nadere overeenkomst. Bedrijf wordt in 2006 verplaatst en eigenaar stelt gemeente in juli 2008 aansprakelijk voor vertragingsschade. Gemeente doet beroep op verjaring.
Volgens Hof heeft nadere overeenkomst uit 2004 verjaring niet gestuit. Bij beoordeling of mededeling aan eisen van art. 3:317 lid 1 BW voldoet, dient niet alleen te worden gelet op formulering daarvan, maar ook op context waarin mededeling wordt gedaan en op overige omstandigheden van geval (zie HR 18.9.2009 ECLI:NL:HR:2009:BI8502, NJ 2009 nr. 439). Hof heeft onbegrijpelijke uitleg gegeven aan bepaling in overeenkomst (uit juni 2002), die ziet op door bedrijfseigenaar te starten arbitrageprocedure vòòr 1 mei 2002. Daarmee houdt daarop voortbouwende oordeel over nadere overeenkomst en stuiting geen stand.
In HR 1.2.2002 ECLI:NL:HR:2002:AD5811, NJ 2002 nr. 195 is geoordeeld dat niet is uitgesloten dat beroep op verjaring ex art. 3:310 lid 1 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is bij onderhandelingen. Stellingen bedrijfseigenaar houden in dat hij en gemeente binnen vijf jaar na sluiten van overeenkomst in 2002 in onderhandeling zijn getreden en dat, toen dat op niets uitliep, hij gemeente heeft gedagvaard. Hof had niet zonder motivering voorbij mogen gaan aan standpunt van bedrijfseigenaar dat beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2018:111