English

Jurisprudentie

HR 14.7.2000 NJ 2001 nr. 417 met noot Hijma, VR 2000 nr. 167 met noot Van Wassenaer

Botsing tussen tram en wielrijder. Op trambestuurder rust zware zorgvuldigheidsplicht ten opzichte van kwetsbare verkeersdeelnemers zoals wielrijders en voetgangers. Trambestuurder moet daarom rekening houden met fouten van die weggebruikers, tenzij die fouten zo onwaarschijnlijk zijn dat hij daarmee in redelijkheid geen rekening behoeft te houden. Als trambestuurder verwijt kan worden gemaakt, rijst vervolgens de vraag of schade op grond van art. 6:101 BW mede aan wielrijder/voetganger moet worden toegerekend. Vanwege billijkheid zal dan ten minste 50% van schade moeten worden vergoed conform HR 28.2.1992 NJ 1993 nr. 566 (IZA/Vrerink), hoewel tram geen motorvoertuig is en art. 31 (oud)/185 WVW derhalve niet van toepassing is.