English

Jurisprudentie

HR 23.11.2018 ECLI:NL:HR:2018:2047

Advocaat zegt in boek dat rechter in Chipshol-zaak uitvoerig met advocaten heeft gebeld. Rechter ontkent dit en start in 2004 procedure tegen advocaat. In hoger beroep komen in 2009, behoudens tegenbewijs, twee telefoongesprekken tussen rechter en Chipshol-advocaat vast te staan, waarna procedure op verzoek van rechter wordt geroyeerd. Advocaat vordert in 2010 schadevergoeding van rechter. Rechter heeft onrechtmatig gehandeld door op leugen gebaseerde procedure tegen advocaat te beginnen en is aansprakelijk voor zijn schade. Hoewel verjaring ten tijde van aanvang procedure in 2004 is gaan lopen, acht Hof beroep van rechter op verjaring hier naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Rechter heeft bewust in strijd met waarheid ontkend dat hij met advocaat telefoongesprek voerde, waarmee hij advocaat als leugenaar heeft weggezet. Advocaat is door rechter gedagvaard en vond ook gerechtsbestuur en Raad voor rechtspraak tegenover zich. In dit uitzonderlijke geval mocht van advocaat niet worden verwacht dat hij eerder vordering instelde of stuitte. Ondertussen is aannemelijk dat rechter rekening hield met aanspraak op schadevergoeding van advocaat. Beroep op verjaring wordt verworpen. Hoge Raad herhaalt aanvangsmoment van verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW. Beroep op verjaring, waaronder beroep op niet stuiten van verjaring, kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Hof heeft gewezen op uitzonderlijkheid van dit geval en juiste maatstaf aangelegd. Cassatieberoep wordt verworpen.

ECLI:NL:HR:2018:2047