English

Jurisprudentie

Verwonding of overlijden van anderen: shock- en affectieschade

HR 22.2.2002 NJ 2002 nr. 240 met noot Vranken, VR 2002 nr. 91 (Kindertaxi)

Wel shockschade, geen affectieschade. Moeder wordt vlak na verkeersongeval waarbij haar vijfjarige dochter verongelukt, op schokkende wijze met letsel geconfronteerd. Moeder heeft jegens veroorzaker recht op vergoeding van shockschade. Veroorzaker ongeval handelt niet alleen onrechtmatig jegens degene die daardoor is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door waarnemen ongeval of door directe confrontatie met ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Voor bestaan geestelijk letsel als bedoeld in art. 6:106 lid 1 aanhef en sub b BW waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, is wel vereist dat zulks in rechte kan worden vastgesteld. In het algemeen zal dat slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het Nederlandse recht kent daarentegen niet een aanspraak op vergoeding van immateriële schade (affectieschade) aan nabestaanden in het geval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een derde aansprakelijk is.

HR 9.10.2009 NJ 2010 nr. 387 met noot Vranken, VR 2010 nr. 3

Omvang van schade-vergoedingsverplichting jegens nabestaanden van slachtoffer verkeersongeval is niet ruimer in geval van opzettelijk veroorzaakt ongeval. Ook dan gelden normen geformuleerd in HR 22.2.2002 NJ 2002 nr. 240 met noot Vranken (Taxibus). Wettelijk uitgangspunt is dat nabestaanden geen aanspraak hebben op vergoeding immateriële schade. Dit is anders indien dader oogmerk had nabestaanden immateriële schade toe te brengen of indien nabestaanden rechtstreeks geconfronteerd zijn met ongeval of ernstige gevolgen daarvan en die confrontatie hevige shock teweeg heeft gebracht. Dit geestelijk letsel komt ex art. 6:106 lid 1 sub b BW voor vergoeding in aanmerking als sprake is van in psychiatrie erkend ziektebeeld. Confrontatie-eis wordt niet vanwege aard of ernst van normschending terzijde gesteld of afgezwakt.

lagere rechters

Rechtbank 's-Hertogenbosch 5.2.2003 NJ Kort 2003 nr. 54

Man rijdt opzettelijk zijn schoonmoeder aan als gevolg waarvan zij overlijdt. Schoonvader raakt ernstig gewond. Immateriële schade schoonvader kan niet worden vastgesteld omdat nog geen sprake is van medische eindtoestand. Ten aanzien van vordering kinderen wegens immateriële schade overweegt Rechtbank dat omstandigheid dat dochter en zoon geen getuige zijn geweest van moord op hun moeder, niet betekent dat zij geen aanspraak zouden kunnen hebben op vergoeding van zogenaamde shockschade. Pleger van moord handelt niet alleen onrechtmatig jegens vermoorde persoon, maar ook jegens derden die nauwe affectieve band hadden met overledene en bij wie door confrontatie met feit van moord een zodanig hevige emotionele schok teweeg is gebracht dat daaruit geestelijk letsel voortvloeit. Rechtbank stelt dochter en zoon in gelegenheid verklaringen van behandelaars in geding te brengen. Criteria als vermeld in HR 22.2.2002 NJ 2002 nr. 240 met noot Vranken (Kindertaxi) gelden niet, nu sprake is van aansprakelijkheidsvorm van geheel andere orde.

Gerechtshof Amsterdam 27.2.2003 VR 2004 nr. 9 (Bijlmerramp)

Ook bij slachtoffers die buiten "zone of danger" verkeerden, kan shockschade voor vergoeding in aanmerking komen. In voldoende mate moet blijken wat slachtoffer heeft waargenomen toen Bijlmerramp zich voltrok of waarmee slachtoffer nadien is geconfronteerd. Slachtoffer dient nauwkeurig te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit schade bestaat. Dat aan stelplicht en bewijsplicht niet al te hoge eisen zouden mogen worden gesteld, is onjuist.

Rechtbank Arnhem 16.4.2008 NJF 2008 nr. 238, JA 2008 nr. 76 met noot Rijnhout

Ouders van vermoord meisje vorderen schadevergoeding van daders en van vriendin die wist van moordplannen, maar zweeg. Toetsing aan criteria HR 22.2.2002 NJ 2002 nr. 240 met noot Vranken (Kindertaxi). Rechtstreekse confrontatie van ouders met ernstige gevolgen van gruwelijk handelen daders aangenomen, ook al hebben zij ernstig verminkt lichaam kind niet meer gezien. Minder hoge eisen aan mate van rechtstreeksheid van confrontatie naarmate normschending ernstiger is. Daders hebben jegens ouders onrechtmatig gehandeld. Er komt deskundigenonderzoek naar geestelijk letsel.

Gerechtshof Arnhem 26.5.2009 NJF 2009 nr. 311, JA 2009 nr. 135 met noot Van Wees

Vader vordert smartengeld van moordenaar dochter. Vader is geconfronteerd met ernstige gevolgen van daad moordenaar doordat hij enkele dagen na moord verminkte lichaam van dochter heeft gezien. Hij heeft hierdoor geestelijk letsel opgelopen, wat aantasting is van zijn persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW. Gezien nauwe affectieve band tussen vader en dochter heeft moordenaar onrechtmatige daad gepleegd jegens vader. Voor bepalen van hoogte smartengeld zijn geobjectiveerde omstandigheden van dit geval belangrijker dan bedrag dat is toegekend in HR 22.2.2002 NJ 2002 nr. 240 (Kindertaxi).