English

Jurisprudentie

Algemeen

HR 17.11.2000 NJ 2001 nr. 215 met noot Bloembergen, VR 2001 nr. 9 (Druijff/BCE Bouw)

Werknemer valt van bouwwerk drie meter naar beneden en loopt dwarslaesie op. Bij begroting immateriële schade dient rechter rekening te houden met alle omstandigheden van geval, in bijzonder aard en ernst letsel en gevolgen daarvan voor betrokkene, hetgeen van invloed is op omvang kosten verbonden aan maatregelen ter veraangenaming van diens leven. Vgl. HR 8.7.1992 NJ 1992 nr. 714, niet opgenomen. Omstandigheid dat toegekende smartengeld zodanig gering was dat slachtoffer maximaal NLG 8.500,00 per jaar te besteden had, terwijl wenselijk geachte extra winterse vakantie naar warm land al meer kost dan NLG 15.000,00, moet door rechter worden meegewogen bij vaststellen omvang smartengeld, maar aard smartengeldvergoeding brengt met zich dat deze niet afhankelijk is van voorgenomen wijze van besteding. Rechter mag acht slaan op ontwikkelingen in andere landen met betrekking tot toegekende bedragen.

HR 27.4.2001 NJ 2002 nr. 91 met noot Brunner (smartengeld bij belediging)

Zoon beledigt moeder in brief, waarna moeder jegens zoon aanspraak maakt op schadevergoeding. Weliswaar hebben uitlatingen eer en goede naam van moeder aangetast maar er is onvoldoende grond om schadevergoeding aan moeder toe te kennen. Rechter moet krachtens art. 6:106 BW aan benadeelde in geval van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, "een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding" toekennen. Rechter mag met alle omstandigheden rekening houden en eventueel mag hij ook géén schadevergoeding toekennen.

HR 26.10.2001 NJ 2002 nr. 216 met noot Vranken, VR 2002 nr. 13 (oogmerk om te doden)

Stelsel wet en met name art. 6:108 BW staat niet in weg aan vergoeding van immateriële schade, indien dader iemand heeft gedood met oogmerk aan een ander, de benadeelde, zodanige schade toe te brengen. Vergoeding schade indien voldaan is aan oogmerkvereiste van art. 6:106 lid 1 BW én doden slachtoffer, gelet op art. 6:95 BW, onrechtmatige daad oplevert jegens benadeelde.

HR 9.8.2002 NJ 2010 nr. 61 met noot Wissink (wrongful birth)

Na mislukte sterilisatie vordert vrouw ondermeer immateriële schadevergoeding. Vordering komt slechts voor toewijzing in aanmerking indien sprake is van geestelijk letsel. Hof heeft onjuist criterium aangelegd door na te gaan of sprake is van aantasting van recht op eerbiediging van persoonlijke levenssfeer. Bij begroting immateriële schade mag rechter alle omstandigheden van geval meewegen, waaronder aard aansprakelijkheid en mate van verwijtbaarheid.

HR 20.9.2002 NJ 2004 nr. 112 met noot Vranken, VR 2003 nr. 93

Omstandigheid dat slachtoffer gedurende bepaalde periode in staat van bewusteloosheid heeft verkeerd, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat over deze periode geen aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat ex art. 6:106 lid 1 sub b BW dat slachtoffer recht op immateriële schadevergoeding geeft bij lichamelijk letsel. Zulks is wel van belang bij beantwoording vraag of, en zo ja, in welke mate benadeelde nadeel heeft geleden en hoe een dergelijk nadeel moet worden begroot. Nu benadeelde zich achteraf en in zekere mate heeft gerealiseerd dat hij gedurende een bepaalde periode bewusteloos is geweest en niet meer zijn gewone leven heeft kunnen leiden, heeft hij gedurende deze periode in geobjectiveerde zin levensvreugde gederfd.

HR 22.11.2002 NJ 2003 nr. 32 met noot Van Schilfgaarde, VR 2003 nr. 94 (smartengeld en faillissementsboedel)

Slachtoffer van ernstig verkeersongeval raakt later failliet. Tijdens faillissement sluit hij vaststellingsovereenkomst met aansprakelijkheidsverzekeraar van veroorzaker ongeval over te betalen smartengeld. Weliswaar moet aanspraak op smartengeld als hoogstpersoonlijk worden aangemerkt en valt deze buiten beslag en executie (zie art. 6:106 lid 2 BW), maar dat geldt niet langer als rechthebbende zijn aanspraak op smartengeld heeft geconcretiseerd in vordering of overeenkomst. Derhalve valt smartengeld in faillissementsboedel.

HR 19.12.2003 NJ 2004 nr. 348

Openbaar Ministerie stelt – naar achteraf blijkt – ten onrechte strafvervolging in die later wordt ingetrokken. Verdachte maakt aanspraak op schadevergoeding. Niet ondenkbaar is dat onrechtmatig handelen Staat kan leiden tot psychische beschadigingen van zodanige aard dat aantasting persoon aanwezig is. Partij die zich daarop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit volgt dat in verband met omstandigheden van geval psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven bestaan geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld (HR 9.5.2003 NJ 2005 nr. 168 met noot Asser, niet opgenomen). Vervolg op HR 23.12.1994 NJ 1995 nr. 512 met noot Corstens, niet opgenomen.

HR 9.7.2004 NJ 2005 nr. 391 met noot Vranken

Bij ongeregeldheden belaagt groep van circa 65 jongeren woning gezin en brengt daaraan vernielingen aan. Gezin blijft bijna vijf uur lang van politiehulp verstoken. Aansprakelijkheid gemeente ex art. 6:170 lid 1 BW op grond van feit dat politieambtenaren in (niet-)uitoefening van hun werkzaamheden, die mede handhaving van openbare orde betroffen, onder gezag van burgemeester als orgaan gemeente stonden. Draagplicht zal in geval waarin burgemeester geen onjuiste aanwijzingen heeft gegeven, in beginsel echter bij politieregio liggen (vgl. HR 25.9.1992 NJ 1994 nr. 767, niet opgenomen). Gezin is aangetast in persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW op grond van aard en ernst van nalatigheid politie, die leidde tot zeer ernstige inbreuk op integriteit persoon en veiligheid woning. Daarvoor is niet nodig dat ook psychische schade is vastgesteld. Geen toewijzing immateriële schadevergoeding aan niet in woning aanwezige zoon, aangezien enkele feit dat iemands woning is belaagd, niet meebrengt dat deze is aangetast in zijn persoon.

HR 18.3.2005 NJ 2006 nr. 606 met noot Vranken, VR 2005 nr. 47 (baby Kelly)

Verloskundige laat na genetisch onderzoek te doen, waarna kind met zwaar lichamelijk en geestelijk letsel geboren wordt. Ouders en kind vorderen van verloskundige en ziekenhuis materiële en immateriële schadevergoeding. Ziekenhuis en verloskundige zijn op grond van art. 6:74 BW aansprakelijk jegens moeder. Bovendien levert beroepsfout verloskundige jegens moeder onrechtmatige daad op jegens vader. Conditio sine qua non–verband staat vast; indien chromosomale afwijking aan licht zou zijn gekomen, zouden ouders tot afbreking zwangerschap hebben besloten. Volledige kosten van opvoeding en verzorging kind met inbegrip van eventueel na haar 21ste levensjaar voor haar te maken kosten worden toegewezen. Vordering ouders tot immateriële schadevergoeding eveneens toewijsbaar, nu ouders door fout verloskundige er niet voor hebben kunnen kiezen geboorte zwaar gehandicapt kind te voorkomen. Aldus is een ernstige inbreuk gemaakt op hun fundamentele recht tot zelfbeschikking, hetgeen aantasting in persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW oplevert. Hiervoor is niet nodig dat geestelijk letsel wordt vastgesteld. Materiële schade kind komt eveneens voor vergoeding in aanmerking. Als behandelaar tekortschiet in nakoming van zijn jegens zwangere vrouw bestaande zorgplicht vrucht nader te onderzoeken, handelt behandelaar tevens onrechtmatig jegens ongeboren vrucht, hoezeer op zichzelf juist is dat kind geen recht heeft op zijn eigen niet-bestaan dan wel op afbreking zwangerschap moeder. Kind heeft bovendien aanspraak op immateriële schadevergoeding nu kind door handicaps die ouders haar hadden willen besparen, in persoon is aangetast in zin art. 6:106 lid 1 sub b BW.

HR 3.2.2006 NJ 2006 nr. 121, VR 2006 nr. 77

(verzekeraar van) ziekenhuis dient algemene aansprakelijkstelling voor "de schade" als gevolg van tot hersenbeschadiging leidende operatie op te vatten als aanspraak op smartengeld ex art. 6:106 lid 2 BW, nu a) ziekenhuis wist dat man ernstige hersenbeschadiging had opgelopen en voor groot deel immateriële schade leed; b) man ex art 6:95 juncto 6:106 BW recht had op vergoeding daarvan en c) het naar thans in maatschappij heersende opvattingen algemeen gebruikelijk is om in dergelijke situaties ook smartengeld te vorderen.

HR 24.11.2006 NJ 2007 nr. 239 met noot Van Schilfgaarde

Tijdens toepassing schuldsanering ontvangt schuldenaar op grond van vaststellingsovereenkomst letselschade-uitkering. Gelet op aard schuldsanering valt geldsom die strekt tot vergoeding toekomstige kosten en schade ten gevolge van gemis aan arbeidscapaciteit in boedel. Dat geldt niet voor smartengeld, tenzij rechthebbende aanspraak hierop heeft geconcretiseerd in vordering of overeenkomst (vgl. HR 22.11.2002 NJ 2003 nr. 32 met noot Van Schilfgaarde).

HR 29.6.2012 NJ 2012 nr. 410, JA 2012 nr. 147 met noot Lindenbergh, VR 2013 nr. 98

Man houdt aan mishandeling waarbij meerdere personen betrokken waren blauw oog over. Dit is lichamelijk letsel dat hem ex art. 6:106 lid 1 sub b BW recht geeft op naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Zonder nadere toelichting is oordeel Hof dat blauw oog te gering is om voor enige vergoeding in aanmerking te komen, onbegrijpelijk.

ECLI:NL:HR:2014:2740

HR 19.9.2014 ECLI:NL:HR:2014:2740

Opdrachtgever heeft onrechtmatig jegens tolk gehandeld door doen van onjuist gebleken strafrechtelijke aangifte bij Roemeense autoriteiten. Rechter heeft bij bepalen van omvang van immateriële schadevergoeding grote vrijheid. Voor schaden van iemands eer geldt niet eis dat daarvan alleen sprake kan zijn indien derden van beschuldigingen kennis nemen. Potentieel verlies van verdienvermogen kan medebepalend zijn voor ernst van aantasting in iemands eer of goede naam. Dit kan factor zijn bij bepaling van immateriële schadevergoeding, ook indien van materiële schade uiteindelijk geen sprake blijkt te zijn. Tolk heeft recht op immateriële schadevergoeding van EUR 5.000,00.

ECLI:NL:HR:2019:376

HR 15.3.2019 ECLI:NL:HR:2019:376

 Gedetineerde heef ten onrechte 350 dagen in te strenge detentieregime van Extra Beveiligde Inrichting van Penitentiaire Inrichting Vught gezeten, waarvoor hij – naast reeds ontvangen tegemoetkoming op voet van Penitentiaire Beginselenwet – schadevergoeding van Staat vordert. Staat heeft onrechtmatig gehandeld. Gedetineerde heeft geen geestelijk letsel opgelopen. Hoge Raad formuleert aan hand van wettekst en jurisprudentie uitgangspunten voor vergoeding van immateriële schade op grond van art. 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW. Aard en ernst van normschending en van gevolgen daarvan voor benadeelde kunnen meebrengen dat van aantasting in persoon op andere wijze (dan oplopen van geestelijk letsel) sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen aard en ernst van normschending meebrengen dat in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor benadeelde zo voor hand liggen dat aantasting in persoon kan worden aangenomen. Van dergelijke aantasting is niet reeds sprake bij enkele schending van fundamenteel recht. Hof kon oordelen dat over persoonlijke gevolgen voor gedetineerde van normschending niets is komen vast te staan. Vordering is terecht afgewezen.

lagere rechters

EHRM 6.4.2000 NJ 2000 nr. 612

Ook aan commerciële bedrijven kan immateriële schadevergoeding worden toegekend. Daarbij zal aandacht dienen te worden besteed aan reputatie bedrijf, onzekerheid in besluitvormingsproces, verstoring management van bedrijf, alsmede – hoewel in mindere mate – aan bezorgdheid en ongemak veroorzaakt bij leden managementteam.

Gerechtshof Arnhem 9.12.2008 JA 2009 nr. 54 met noot Smeehuijzen, VR 2009 nr. 57

Verergering van psychische klachten whiplashslachtoffer als gevolg van trage schadeafwikkeling door aansprakelijke verzekeraar kan worden toegerekend aan verzekeraar. Psychische klachten rechtvaardigen hoger bedrag aan smartengeld. Passieve opstelling verzekeraar bij schaderegeling rechtvaardigt dat niet. Eventuele overtreding van Bedrijfsregeling no. 15 is niet zonder meer onrechtmatig jegens slachtoffer.

Gerechtshof 's-Gravenhage 24.2.2009 JA 2009 nr. 67 met noot Dijkshoorn

Op basis van jurisprudentie EHRM is toewijzing van immateriële schadevergoeding bij substantiële overschrijding van redelijke termijn art. 6 EVRM in beginsel mogelijk. Art. 6:106 BW moet in dit geval worden toegepast met inachtneming van artt. 6 en 13 EVRM. Hier zijn volgende gezichtspunten van belang: ingewikkeldheid van zaak, gedrag van eiser, gedrag van overheid en belang van eiser dat met procedure op spel staat. Immateriële schadevergoeding toegewezen wegens substantiële termijnoverschrijding waarbij spanningen en frustraties zijn ontstaan over uitblijven van definitieve beslissing in geschil.

Gerechtshof 's-Gravenhage 29.9.2009 NJF 2009 nr. 498

Na spoed-keizersnede steriliseert gynaecoloog ongewenst vrouw, die zelf niet aanspreekbaar was. Er is geen sprake geweest van informed consent nu vrouw en haar man, die voor haar toestemming gaf, niet in staat zijn gesteld om weloverwogen beslissing te nemen over sterilisatie. Zowel tegenover vrouw als man is sprake van aantasting in persoon als bedoeld in art 6:106 lid 1 sub b BW. Alleen vrouw heeft recht op smartengeld. Man kan vordering tot vergoeding immateriële schade niet ex art. 7:462 BW jegens ziekenhuis geldend maken, omdat met vrouw gesloten behandelingsovereenkomst door gynaecoloog niet is uitgebreid tot man. Man is als vertegenwoordiger van vrouw gevraagd om toestemming voor sterilisatie.

LJN BZ0813

Rechtbank Midden-Nederland 6.2.2013 LJN BZ0813, JA 2013 nr. 54, NJF 2013 nr. 159, VR 2013 nr. 153

Bij eenzijdig auto-ongeval loopt 16-jarige inzittende ernstig hersenletsel op. Sindsdien verkeert hij in coma. Slachtoffer droeg geen gordel, wat voorshands 10% eigen schuld oplevert (waartegen tegenbewijs mag worden geleverd). Slachtoffer heeft minimaal bewustzijn-plus. Hij kan emoties en pijn ervaren, maar beseft niet wat hem is overkomen. Gelet op gedachte van slachtofferbescherming en compensatie- en genoegdoeningsfunctie van smartengeld bestaat recht op vergoeding bij verlies van bewustzijn. Voor in HR 20.9.2002 NJ 2004 nr. 112 met noot Vranken toegepaste mogelijkheid om bij bewusteloosheid verlies aan levensvreugde in meer objectieve zin vast te stellen is ook ruimte indien benadeelde zich niet, althans niet aantoonbaar, realiseert dat hem letsel of leed is toegebracht. Oriëntatie op regelingen en uitspraken in buitenland biedt steun voor toekenning van substantiële smartengeldvergoeding. Slachtoffer heeft recht op EUR 100.000,00 bij volledige aansprakelijkheid.