English

Jurisprudentie

Overlijdensschade

art. 6:108 BW


HR 4.2.2000 NJ 2000 nr. 600 met noot Mendel, VR 2000 nr. 154

Overlijdensschade. Recht op schadevergoeding voor nabestaande krachtens art. 1406 (oud) BW/art. 6:108 BW is in zoverre beperkt dat geen recht op schadevergoeding bestaat voorzover nabestaande, gezien zijn financiële omstandigheden en stand waarin hij leeft, ondanks deze schade niet als behoeftig kan worden aangemerkt. Vgl. HR 19.6.1970 NJ 1970 nr. 380, niet opgenomen. Bij bepalen behoefte nabestaande moet ook rekening worden gehouden met uitkering krachtens sommenverzekering (in casu levensverzekering waaruit hypothecaire schuld wordt afgelost). Dit verschilt met art. 1407 (oud) BW/art. 6:107 BW, bij de toepassing waarvan in geval van letsel met een uitkering krachtens een sommenverzekering geen rekening behoort te worden gehouden. Wel blijkt uit wetsgeschiedenis dat rechter bij art. 6:107 BW de vrijheid heeft om bij letsel een sommenverzekering als voordeel toe te rekenen aan gekwetste en daarbij af te wijken van HR 28.11.1969 NJ 1970 nr. 172, niet opgenomen.

HR 16.12.2005 NJ 2008 nr. 186 met noot Vranken

Vrouw overkomt dodelijk ongeval op togglebaan tijdens bedrijfsuitje. Vriend met bovenmodaal inkomen vordert overlijdensschade van organisator uitje, stellende dat hij levensstandaard niet meer kan aanhouden. Geen onderscheid tussen nabestaanden ex art. 6:108 lid 1 BW sub a (echtgenoten en minderjarige kinderen) en b (andere bloed- of aanverwanten) enerzijds en sub c (samenwonenden) anderzijds voor vraag of zij aanspraak hebben op schadevergoeding wegens als gevolg van overlijden van hun partner gederfd levensonderhoud. In alle gevallen gaat het om vraag naar behoeften van langstlevende in zin van art. 1:397 lid 1 BW: niet om streng criterium van behoeftigheid "in algemene zin" maar om behoeftigheid gerelateerd aan specifieke situatie van huishouding waarvan overledene en nabestaande deel uitmaakten. Vraag is of behoefte aan levensonderhoud van nabestaande door overlijden partner is toegenomen. Aanspraak nabestaande ex art. 6:108 lid 1 sub d BW is niet beperkt tot situaties waarin overledene gehele zorg van huishouden voor zijn/haar rekening nam. Voorts is niet beslissend of nabestaande ten tijde van beslissing rechter daadwerkelijk kosten maakt voor uitvoeren huishoudelijke taken.

HR 11.7.2008 NJ 2009 nr. 385 met noot Vranken, JA 2008 nr. 166 met noot De Groot

Vordering tot vergoeding van schade kinderen als gevolg van overlijden moeder. Behoeftigheidseis geldt ook voor geval waarin overledene in levensonderhoud bijdroeg door doen van huishouding (art. 6:108 lid 1 sub d BW). Vraag of kinderen behoefte hebben aan vergoeding voor deze vorm van gederfd levensonderhoud is afhankelijk van concrete omstandigheden waarin zij tot aan hun meerderjarigheid zullen verkeren. In aantal opzichten moet echter van concrete omstandigheden worden geabstraheerd. Niet bepalend is of ten tijde van rechterlijke beslissing daadwerkelijk kosten voor huishoudelijke hulp worden gemaakt. Hertrouwen van achterblijvende ouder mag niet in aanmerking worden genomen bij vaststelling van behoefte kinderen. Onderzocht moet worden in hoeverre voor kinderen behoefte bestond aan vervangende hulp voor huishoudelijke taken, naast hetgeen redelijkerwijs aan extra inspanningen van vader kan worden gevergd.

HR 10.4.2009 NJ 2009 nr. 386 met noot Vranken, JA 2009 nr. 91 met noot De Groot, VR 2009 nr. 93, RAV 2009 nr. 55

Vrouw is na overlijden van echtgenoot minder gaan werken ter compensatie van bijdrage man aan zorgtaken. Bij schadeberekening ex art. 6:108 BW moet hiermee rekening worden gehouden. Onder hetgeen overledene aan nabestaande feitelijk placht te verstrekken vallen ook bijdragen van niet financiële aard, zoals verrichten van huishoudelijke taken en leveren bijdrage aan opvoeding minderjarige kinderen. Valt deze bijdrage weg door overlijden en beperkt achterblijvende echtgenoot schade door minder te gaan werken om zelf zorgtaken te verrichten, dan moet in beginsel gehele inkomensschade die daardoor ontstaat in schadeberekening betrokken worden.

HR 12.6.2009 RvdW 2009 nr. 740, JA 2009 nr. 155 met noot Van Dort

Na overlijden van vrouw, die gemeenschappelijke huishouding verzorgde, heeft man kosten gemaakt voor huishoudelijke hulp. Rechtbank en Hof hebben deze kosten ex art. 6:108 lid 1 sub d BW ten onrechte toegewezen. In aanhef van art. 6:108 BW besloten beperking dat geen aanspraak op schadevergoeding bestaat voor zover nabestaande, gelet op alle omstandigheden van geval, ondanks schade niet als behoeftig kan worden aangemerkt, geldt ook voor geval waarin overledene in levensonderhoud bijdroeg door doen van gemeenschappelijke huishouding (zie HR 11.7.2008 NJ 2009 nr. 385 met noot Vranken).

lagere rechters

Rechtbank 's-Hertogenbosch 1.3.2006 NJF 2006 nr. 266

In kader begroting overlijdensschade mag kans op hertrouwen of samenwonen alleen worden meegenomen indien dat zo waarschijnlijk is dat daarvan bij berekening moet worden uitgegaan; bij vaststellen redelijke verwachting moet zekere mate van terughoudendheid worden betracht (vgl. HR 29.4.1994 NJ 1995 nr. 609 met noot Brunner, niet opgenomen). Enkele feit dat vrouw nieuwe partner heeft, is onvoldoende. Voor vergoeding kosten huishoudelijke hulp is niet beslissend of nabestaande die kosten daadwerkelijk maakt; doorslaggevend is slechts of (vervangende) hulp noodzakelijk is (vgl. HR 16.12.2005 NJ 2008 nr. 186 met noot Vranken). Vordering waardeverlies levensverzekeringspolissen is niet toewijsbaar ex art. 6:108 BW. Rekenrente 3% voor schadeposten met lange looptijd; rekenrente 2% voor kortere looptijden.

Rechtbank Utrecht 30.1.2008 NJF 2008 nr. 176, JA 2008 nr. 47, VR 2009 nr. 20

Doodslag 5-jarig meisje door 14-jarige jongen. Vader slachtoffer vordert van aansprakelijke dader (en diens ouders) vergoeding van onder meer overlijdensschade. Voor vergoeding begrafeniskosten geldt dat kosten in overeenstemming moeten zijn met omstandigheden van overledene. Het stond vader vrij zijn dochter volgens Marokkaanse traditie te begraven en hiermee samenhangende kosten (van maaltijd bij condoleance) komen voor vergoeding in aanmerking. Door vader wegens begrafenis ontvangen verzekeringsuitkering wordt, ongeacht of sprake is van sommen- of schadeverzekering, niet als voordeel beschouwd. Gelet op feit dat vader verzekering vrijwillig heeft gesloten en daarvoor premies heeft betaald in combinatie met gruwelijke wijze waarop meisje van leven is beroofd waar vader geen rekening mee had gehouden, zou verrekening onredelijk zijn.

Rechtbank Zwolle–Lelystad 25.11.2009 L&S 2010 nr. 128 met noot Meijer

Na beroepsfout van huisartsen overleden man laat partner achter met wie hij LAT-relatie had en minderjarig, niet erkend kind. Kind komt geen vordering wegens gederfd levensonderhoud in nature (art. 6:108 lid 1 sub d BW) toe. Niet is aangetoond dat man in gezinsverband met partner en kind heeft samengewoond. Blijkens wetsgeschiedenis zijn andere samenlevingsvormen en vrijwillige ondersteuning bewust buiten genoemde bepaling gehouden.