English

Jurisprudentie

Kansberekening/ proportionele aansprakelijkheid

HR 31.3.2006 NJ 2011 nr. 250 met noot Tjong Tjin Tai, JAR 2006 nr. 100

Werknemer die vele jaren in asbestverwerkend bedrijf heeft gewerkt, overlijdt aan longkanker (zonder daaraan voorafgegane asbestose). Werknemer heeft ook jarenlang gerookt. Deskundigenbericht met betrekking tot (o.a.) feitelijke gang van zaken indertijd bij werkgever én vraag wat kans was dat longkanker veroorzaakt was door asbestblootstelling. Werkgever is tekortgeschoten in zijn veiligheidsverplichtingen ex art. 7:658 BW. Longkanker kan ook door roken dan wel door omstandigheden waar niemand voor verantwoordelijk is, zijn ontstaan. Indien – door deskundige begrote - kans dat gezondheidsschade is veroorzaakt door toerekenbare tekortkoming werkgever zeer klein is, ligt in het algemeen voor de hand dat rechter vordering afwijst. Is die kans zeer groot, ligt voor de hand dat rechter vordering toewijst. Ten aanzien van daartussen gelegen gevallen is het in het algemeen, mede gelet op strekking onderhavige norm en aard normschending, uit overwegingen van redelijkheid en billlijkheid onaanvaardbaar onzekerheid over oorzaak van schade werknemer in zijn geheel op werknemer dan wel op werkgever af te wentelen. Mede gelet op aan art. 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten moet worden aangenomen dat, indien er zowel kans bestaat dat schade door toerekenbare tekortkoming werkgever is veroorzaakt als door aan werknemer toe te rekenen omstandigheid, de rechter werkgever tot vergoeding van gehele schade mag veroordelen, met vermindering van die vergoedingsplicht in evenredigheid met mate waarin aan werknemer toe te rekenen omstandigheden tot schade hebben bijgedragen.

HR 31.3.2006 RvdW 2006 nr. 336, JAR 2006 nr. 101

Eenzelfde soort beslissing over kansberekening als HR 31.3.2006 NJ 2011 nr. 250 met noot Tjong Tjin Tai, zij het dat in dit geval werknemer niet had gerookt. Werkgever desalniettemin niet volledig aansprakelijk omdat ook andere factoren - niet aan werkgever toe te rekenen omstandigheden - tot ontstaan longkanker kunnen hebben bijgedragen.

HR 24.12.2010 NJ 2011 nr. 251 met noot Tjong Tjin Tai, RAV 2011 nr. 34

Cliënt houdt vermogensbeheerder aansprakelijk voor schade door koersdaling van aandelen. Hof heeft met toepassing van rechtsregel uit arrest Nefalit/Karamus (HR 31.3.2006 NJ 2011 nr. 250 met noot Tjong Tjin Tai) causaal verband tussen schending waarschuwingsplicht door vermogensbeheerder en vermogensschade van cliënt aangenomen. Deze regel van proportionele aansprakelijkheid moet met terughoudendheid worden toegepast. Rechter die besluit regel toe te passen moet in motivering verantwoorden dat strekking van geschonden norm en aard van normschending, waaronder begrepen aard van door benadeelde geleden schade, toepassing in concrete geval rechtvaardigen. Rechtsregel kan ook in andere gevallen dan die in Nefalit/Karamus (werkgeversaansprakelijkheid voor asbestblootstelling) worden toegepast. Daarvoor kan met name aanleiding zijn als aansprakelijkheid van aangesproken partij op zichzelf vaststaat, niet zeer kleine kans bestaat dat condicio-sine-qua-non-verband tussen geschonden norm en geleden schade aanwezig is en strekking van geschonden norm en aard van normschending rechtvaardigen dat onzekerheid over causaal verband over partijen wordt verdeeld. Hof heeft dit alles miskend, want in dit geval brengt bedoelde terughoudendheid mee dat jegens vermogensbeheerder onaanvaardbaar is in beginsel op cliënt rustende bewijsrisico van causaal verband niet voor rekening van cliënt te laten, maar in plaats daarvan regel uit Nefalit/Karamus toe te passen.

LJN BX8349

HR 14.12.2012 LJN BX8349, NJ 2013 nr. 236 met noot Lindenbergh onder nr. 237, JA 2013 nr. 67 met noot Cox

Zwangere vrouw wordt als passagier van auto aangereden door personenauto. Vlak na geboorte ontstaan bij kind ademhalingsproblemen. Enige maanden later wordt bij kind hersenbeschadiging geconstateerd, waaraan hij blijvend letsel overhoudt. Moeder en kind vorderen schadevergoeding van WAM-verzekeraar personenauto. Onzeker is of letsel kind is veroorzaakt door verkeersongeval tijdens zwangerschap of door ademhalingsproblemen na geboorte (dan wel door combinatie daarvan). Proportionele aansprakelijkheid is op haar plaats. Bij toepassing van proportionele aansprakelijkheid bestaat geen ruimte om, nadat rechter in percentage uitgedrukte kans heeft vastgesteld dat normschending schade heeft veroorzaakt, daarop nog billijkheidscorrectie toe te passen. Art. 6:101 lid 1 BW kan onder specifieke omstandigheden wel leiden tot vermindering van vergoedingsplicht en billijkheidscorrectie. Daarvoor moet sprake zijn van causale omstandigheden aan zijde van benadeelde die niet reeds verdisconteerd (konden) zijn in proportionele aansprakelijkheid zelf. Op basis van proportionele aansprakelijkheid vastgestelde vergoedingsplicht zou nog verminderd kunnen worden in overeenstemming met bijvoorbeeld mate waarin ieders verkeersfout tot ongeval heeft bijgedragen. Vervolgens zou met billijkheidscorrectie ook tot andere verdeling van schade besloten kunnen worden, maar niet kan groter deel van schade voor rekening van aansprakelijke persoon worden gebracht dan op basis van proportionele aansprakelijkheid was vastgesteld.

LJN BX7491

HR 21.12.2012 LJN BX7491, NJ 2013 nr. 237 met noot Lindenbergh, JA 2013 nr. 41 met noot Van Dijk en Akkermans

Fiscaal adviseur maakt beroepsfout door niet op mogelijkheid van zogenoemde ruilarresten te wijzen en ook door cliënt geruisloze inbreng te adviseren, wat niet haalbaar was. Hof heeft adviseur veroordeeld tot betaling van 60% van schade. Eerst komen algemene overwegingen over leerstuk van proportionele aansprakelijkheid en kansschade. Proportionele aansprakelijkheid is geëigend om oplossing te bieden voor sommige situaties waarin onzekerheid bestaat over condicio-sine-qua-non-verband tussen normschending en schade, en er sprake is van onzekerheid omdat schade kan zijn veroorzaakt hetzij door aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis, hetzij door voor risico van benadeelde komende omstandigheid, hetzij door combinatie van beide. Leer van kansschade geldt wanneer onzekerheid bestaat over vraag of op zichzelf vaststaande tekortkoming of onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt, en er sprake is van onzekerheid omdat niet kan worden bepaald of en in hoeverre in hypothetische situatie dat aansprakelijkheid achterwege zou zijn gebleven, kans op succes zich echt ook zou hebben gerealiseerd. Hof heeft leerstuk van kansschade goed toegepast. Nu Hof csqn-verband tussen beroepsfout en verlies van kans van cliënt op gunstiger fiscale behandeling volgens gewone bewijsregels heeft vastgesteld, bestaat geen grond voor terughoudende benadering die volgens HR 24.12.2010 NJ 2011 nr. 251 met noot Tjong Tjin Tai bij toepassing van proportionele aansprakelijkheid op haar plaats is. Voor vaststellen van schade aan hand van schatting van goed en kwade kansen bestaat slechts ruimte, indien het gaat om reële (niet zeer kleine) kans op succes.

LJN BZ1721

HR 7.6.2013 LJN BZ1721, NJ 2014 nr. 99 met noot Hartlief, JA 2013 nr. 108 met noot Den Hoed en nr. 129 met noot Simons onder nr. 128

Erven van aan kanker overleden schilder stellen werkgever daarvoor aansprakelijk. Hof heeft schadevergoedingsvordering toegewezen. Hof heeft in cassatie onbestreden drie fasen in bewijslevering van causaal verband tussen blootstelling aan gevaarlijke stoffen en gezondheidsschade onderscheiden. Regel uit HR 17.11.2000 NJ 2001 nr. 596 (Unilever/Dikmans), HR 23.6.2006 NJ 2006 nr. 354 en HR 9.1.2009 NJ 2011 nr. 252 drukt vermoeden uit dat gezondheidsschade van werknemer is veroorzaakt door omstandigheden waarin deze zijn werk heeft verricht. Voor dat vermoeden is geen plaats indien verband tussen gezondheidsschade en arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Hof heeft onjuiste uitleg gegeven aan regel door te oordelen dat voor antwoord op vraag of klachten werknemer kunnen zijn veroorzaakt door blootstelling aan gevaarlijke stoffen rechtens geen ondergrens bestaat, in die zin dat grootte van die kans daarvoor niet van belang is. Wanneer concrete voorschriften ontbreken, dient aan hand van concrete omstandigheden te worden beoordeeld of werkgever aan zorgplicht heeft voldaan. Oordeel Hof dat uit vakliteratuur en Publicatieblad P-139 volgt dat werkgever bekend behoorde te zijn met "gevaren verbonden aan blootstelling aan gevaarlijke stoffen" en hij op die grond maatregelen had moeten treffen, is te vaag en onvoldoende om schending van zorgplicht aan te nemen. Bij toepassing van regel van proportionele aansprakelijkheid wordt onder oorzaak die voor risico van benadeelde zelf komt hier verstaan buiten uitoefening van werk gelegen omstandigheid die aan werknemer moet worden toegerekend, zoals roken, genetische aanleg, veroudering of van buiten komende oorzaken. Laatste omstandigheden kunnen werknemer niet worden verweten, maar komen in verhouding tot werkgever voor zijn risico. Hof heeft dit miskend bij verwerping van beroep op vermindering van vergoedingsplicht werkgever. Arrest Hof wordt vernietigd.

ECLI:NL:HR:2016:2987

HR 23.12.2016 ECLI:NL:HR:2016:2987

Bij te vroeg geboren kind moet als gevolg van necrose na buikoperatie voet worden geamputeerd (waarvoor ziekenhuis aansprakelijkheid heeft erkend). Daarna mislukt op 25 juni eerste onderzoek op netvliesloslating bij kind. Na tweede controle op 9 juli besluit oogarts tot spoedbehandeling, maar uiteindelijk wordt kind blind. Zij stelt samen met ouders ziekenhuis aansprakelijk voor hun schade. Procedure staat voornamelijk in teken van leerstuk van kansschade. Naar oordeel van rechtbank en hof is niet (voldoende) reële kans op beter behandelingsresultaat verloren gegaan en vordering wordt afgewezen.
Eisers stellen dat heronderzoek op kortere termijn dan week, dus eerder dan 2 juli, had moeten plaatsvinden. Door daar niet op in te gaan, heeft hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Bij beantwoording van vraag of voor patiënt kans op beter behandelingsresultaat verloren is gegaan, dient eerst te worden beoordeeld of is gehandeld in strijd met norm van hetgeen redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot betaamt. In geval van strijd met deze norm, dient ter beoordeling van causaal verband tussen normschending en gestelde schade vergelijking te worden gemaakt tussen feitelijke situatie na normschending en hypothetische situatie zoals die geweest zou zijn zonder normschending. Voor feitelijke situatie gaat het om vaststelling van hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen. Voor hypothetische situatie gaat het om vaststelling van wat feitelijk zou zijn gebeurd zonder normschending. Voor hypothetische situatie dient - anders dan hof deed - niet te worden uitgegaan van norm van redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot, maar van behandeling die feitelijk zou hebben plaatsgevonden, zij dat daarbij wel uitgangspunt moet zijn dat geen normschending zou hebben plaatsgevonden.
Hof had niet in midden mogen laten of rechtens relevante kans bestond dat redelijk bekwaam en redelijk handelend arts bij tijdige controle voor optimale behandeling zou hebben gekozen. Verlies van dergelijke kans zou voor eisers immers schade kunnen opleveren die voor vergoeding in aanmerking komt. Enkele bevinding van deskundige dat kans dat eerdere behandeling van kind tot beter resultaat zou hebben geleid, niet groot was, kan niet oordeel van hof dragen dat deze kans niet rechtens relevant was. Dat hof causaal verband tussen necrose en netvliesloslating niet heeft aangenomen, is niet onbegrijpelijk. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2017:2786

HR 27.10.2017 ECLI:NL:HR:2017:2786

Patiënte vordert schadevergoeding van ziekenhuis wegens niet tijdig onderkennen van caudasyndroom. Tekortkoming van arts-assistent neurologie die patiënte op spoedeisende hulp heeft gezien, is uitgangspunt. Vanuit benadering van kansschade oordeelt Hof na deskundigenberichten dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat zonder vertraging van operatie (delay) voor patiënte beter behandelingsresultaat zou zijn bereikt. Dit oordeel is onvoldoende gemotiveerd. Uit feit dat deskundige kans niet in percentage kan uitdrukken omdat naar grootte van die kans geen onderzoek is gedaan, volgt niet dat die kans niet in rechtens relevante omvang bestaat. Antwoorden van deskundige sluiten niet uit dat van verlies van reële kans sprake kan zijn geweest. Hof had nader moeten onderzoeken of door delay reële kans op betere uitkomst verloren is gegaan en had - bij bevestigend antwoord - vervolgens tot zo goed mogelijke schatting van deze kans moeten komen. Daartoe had Hof bijvoorbeeld deskundige op zitting nader kunnen bevragen.

ECLI:NL:HR:2017:3051

HR 1.12.2017 ECLI:NL:HR:2017:3051

Advocaat adviseert cliënt bij overname en doorstart van kappersbedrijf. In huurovereenkomst worden vennootschap en cliënt in privé als huurders aangemerkt. Vennootschap wordt failliet verklaard en verhuurder spreekt cliënt in privé aan tot betaling van achterstallige huur. Cliënt roept advocaat in vrijwaring op en stelt dat deze hem onjuist heeft geadviseerd. Hof oordeelt dat advocaat als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot cliënt erop had moeten wijzen dat tenaamstelling niet strookte met eerder gegeven adviezen over oprichten van vennootschap en tenaamstelling van huurovereenkomst. Door deze beroepsfout is cliënt kans op voor hem gunstiger uitkomst ontnomen. Hof schat kans dat deze gunstiger uitkomst zou zijn bereikt op 50%. Advocaat moet 50% van door cliënt gevorderde schadeposten vergoeden. Hoge Raad doet zaak af op art. 81 lid 1 RO. A-G maakt instructieve opmerkingen over causaliteits- en schadekwesties in beroepsaansprakelijkheidszaken. Leerstuk van kansschade is tussenoplossing die risico's van onzekerheid over partijen verdeelt.

lagere rechters

Rechtbank Groningen 4.5.2007 NJF 2007 nr. 355

Gynaecoloog heeft onzorgvuldig gehandeld door bij bevalling te hard aan hoofdje te trekken. Zenuwletsel van kind kan meerdere oorzaken hebben. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is onaanvaardbaar om onzekerheid over causaal verband in zijn geheel op ouders dan wel op ziekenhuis en arts af te wentelen. Laatstgenoemden worden ex aequo et bono veroordeeld tot betaling van 75% van schade.

Gerechtshof 's-Gravenhage 26.10.2007 NJF 2007 nr. 560, JA 2008 nr. 15, JAR 2008 nr. 36, VR 2008 nr. 89

Werkneemster die na eerder bedrijfsongeval bij skeelerongeval weer posttraumatische dystrofie in rechterhand oploopt, spreekt werkgever voor alle schade aan. Op basis van deskundigenrapport wordt kans dat na skeelerongeval opgetreden dystrofie mede gevolg is van bedrijfsongeval op circa 50% vastgesteld. Er is sprake van dubbele causaliteit. Werkneemster kan worden verweten dat zij bij skeeleren geen polsbeschermer droeg. Tweede dystrofie is voor 60% aan haar toe te rekenen en voor 40% aan werkgever. Bij elkaar betekent dit dat schade als gevolg van tweede dystrofie voor 20% aan werkgever is toe te rekenen.