English

Jurisprudentie

Bestuurdersaansprakelijkheid

HR 18.2.2000 NJ 2000 nr. 295 met noot Maeijer

Wanneer bestuurder wordt verweten dat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat door hem bestuurde vennootschap een eerder aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan wederpartij schade berokkent, kan bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn. Of verwijt dat bestuurder kan worden gemaakt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden, hangt af van omstandigheden van geval.

HR 8.2.2002 NJ 2002 nr. 196

Enkele feit dat bestuurder door rechter aan vennootschap toegewezen vordering op eigen rekening laat voldoen ten koste van eventuele verhaalsmogelijkheden van wederpartij leidt niet – wanneer in hoger beroep vonnis wordt vernietigd en vennootschap niet kan terugbetalen - tot oordeel dat bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld jegens wederpartij.

HR 29.11.2002 NJ 2003 nr. 455

Voor aansprakelijkheid bestuurder vanwege onbehoorlijke taakvervulling ex art. 2:9 BW is vereist dat bestuurder ernstig verwijt kan worden gemaakt, hetgeen dient te worden beoordeeld aan hand van omstandigheden van geval.

HR 20.10.2006 NJ 2007 nr. 2 met noot Maeijer

Door jaarrekening zonder verplichte accountantsverklaring dan wel mededeling waarom deze ontbreekt te publiceren, wordt ex art. 2:248 lid 2 BW vermoed dat bestuurder zijn taak onbehoorlijk vervuld. Wanneer komt vast te staan dat gepubliceerde gegevens correct zijn, kan enkele verzuim accountantsverklaring af te laten geven (of mededeling te doen waarom deze ontbreekt) onder omstandigheden als onbelangrijk verzuim gelden. Voor ontzenuwen van in art. 2:248 lid 2 BW neergelegd vermoeden volstaat dat bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, is het aan curator aannemelijk te maken dat kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede belangrijke oorzaak faillissement is geweest. Zie voor vervolg Gerechtshof Arnhem 17.2.2009 NJF 2009 nr. 319 waarin bestuurder slaagt in ontzenuwen van vermoeden van art. 2:248 lid 2 BW en stelling curator dat sprake was van financieel mismanagement wordt verworpen.

HR 16.2.2007 NJ 2007 nr. 256 met noot Maeijer, JA 2007 nr. 62

Beheersmaatschappij stelt interim-bestuurder voor haar dochtermaatschappij aan. Bestuurder laat dochter failliet gaan, veronderstellenderwijs bewust en voor eigen gewin. Vordering aandeelhouder van beheersmaatschappij in verband met vermindering waarde aandelen terecht afgewezen omdat die slechts recht heeft op vergoeding van afgeleide schade (vermindering waarde aandelen) als deze schade gevolg is van schending specifieke zorgvuldigheidsverplichting (vgl. HR 2.12.1994 NJ 1995 nr. 288 met noot Maeijer en HR 29.11.1996 NJ 1997 nr. 178, beide niet opgenomen). Enkele omstandigheid dat voorzienbaar was dat ook beheersmaatschappij zou worden benadeeld, is daartoe onvoldoende. Hof heeft voornoemde maatstaf ten onrechte ook toegepast op vordering aandeelhouder in verband met lening beheersmaatschappij aan dochter (niet zijnde afgeleide schade). Norm voor vordering aandeelhouder in hoedanigheid schuldeiser is of handelwijze bestuurder jegens aandeelhouder in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in maatschappelijk verkeer betaamt.

HR 30.11.2007 NJ 2008 nr. 91 met noot Maeijer

Curator houdt bestuurder failliete vennootschap aansprakelijk vanwege niet tijdige publicatie jaarrekeningen. Bestuurder stelt dat weigering van brandverzekeraar schade door brand uit te keren oorzaak faillissement is. Redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW brengt mee dat voor ontzenuwen daarin opgenomen vermoeden volstaat dat bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling belangrijke oorzaak van faillissement zijn geweest (vgl. HR 20.10.2006 NJ 2007 nr. 2 met noot Maeijer). Stelt bestuurder van buiten komende oorzaak en wordt hem verweten dat hij heeft nagelaten intreden van oorzaak te voorkomen, dan zal hij moeten stellen en zonodig aannemelijk maken dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Slaagt bestuurder daarin, dan dient curator ex art. 2:248 lid 1 BW aannemelijk te maken dat kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede belangrijke oorzaak faillissement is geweest.

HR 20.6.2008 NJ 2009 nr. 21 met noot Maeijer en Snijders

Norm voor aansprakelijkheid van bestuurder jegens rechtspersoon ex art. 2:9 BW geldt overeenkomstig als individuele aandeelhouder bestuurder aansprakelijk stelt voor wijze waarop deze zijn bestuurstaken heeft uitgeoefend. Omstandigheid dat is gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die individuele aandeelhouder beogen te beschermen, brengt in beginsel aansprakelijkheid van bestuurder tegenover die individuele aandeelhouder mee. Als aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat gewraakte handelen in strijd met statutaire bepalingen niet ernstig verwijt oplevert, dient rechter deze uitdrukkelijk in oordeel te betrekken.

HR 26.6.2009 NJ 2009 nr. 418 met noot Van Schilfgaarde, RAV 2009 nr. 86

Vennootschap A en vennootschap B geven gezamenlijk kredietverklaring af voor vennootschap C, waar zij beiden eigenaar van zijn. Kort hierna kan vennootschap A niet aan afspraak uit kredietverklaring voldoen. Vennootschap C gaat failliet. Maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder jegens schuldeiser van zijn vennootschap vindt ook in onderhavig geval toepassing. Bestuurder van vennootschap A handelde onrechtmatig door vennootschap B risico van aansprakelijkheid tegenover bank op zich te laten nemen dat groter was dan laatstgenoemde wist of kon begrijpen, ook wat betreft mogelijkheid van regres op vennootschap A. Subjectivering van wetenschap bestuurder past hier niet. Vennootschap B dient negatief contractsbelang vergoed te krijgen.

HR 18.9.2009 RAV 2009 nr. 106

Curator stelt twee voormalig bestuurders wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur aansprakelijk voor tekort in faillissement. Een van bestuurders doet beroep op verrekening van tegen hem ingestelde vordering met eigen vordering op gefailleerde rechtspersoon. Verrekening kan niet plaatsvinden. Er is niet voldaan aan art. 53 Fw, nu bestuurder aansprakelijk is jegens boedel en niet jegens gefailleerde rechtspersoon en zijn schuld niet is ontstaan voor faillietverklaring of voortvloeit uit handelingen door hem verricht voor faillietverklaring.

HR 26.3.2010 NJ 2010 nr. 189

Vennootschap heeft vordering op derde aan bank verpand. Zij wendt in strijd met gemaakte afspraak van derde ontvangen bedrag niet aan ter aflossing van kredieten bij bank. Bank vordert betaling van (middellijk) bestuurder vennootschap. Door te onderzoeken of bestuurder persoonlijk ernstig verwijt treft doordat hij, terwijl hij wist dat vennootschap niet over ander inkomstenbronnen beschikte en hem duidelijk was of behoorde te zijn dat vennootschap geen verhaal zou bieden, heeft bewerkstelligd dat vennootschap contractuele verplichtingen jegens bank niet nakwam, heeft Hof maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurder niet miskend. Dat bank als panhouder vennootschap nog kan aanspreken, laat haar op art. 6:162 BW gebaseerde vordering jegens bestuurder onverlet. Vordering wordt toegewezen.

HR 25.6.2010 NJ 2010 nr. 373

Frauderende (indirect) enig aandeelhouder en enig bestuurder van failliete B.V. verweert zich, tot schadevergoeding aangesproken door curator, met beroep op aan hem verleende decharge. Met aard van ontslag van aansprakelijkheid dat voortvloeit uit decharge is in overeenstemming dat deze zich niet uitstrekt tot frauduleuze onttrekkingen die door manipulatie van boeken niet uit jaarrekening en verslaglegging kenbaar zijn. Dat deze (indirect) enig aandeelhouder en enig bestuurder telkens ten tijde van goedkeuring van jaarrekeningen en verslagleggingen kennis moet hebben gedragen van deze onttrekkingen en manipulatie maakt dit niet anders.

HR 17.12.2010 NJ 2011 nr. 8, RAV 2011 nr. 32

Beleggers investeren in buitenlands vastgoedproject dat niet doorgaat. Zij stellen vennootschappen die als statutair bestuurder dan wel trustee bij project betrokken waren aansprakelijk voor hun verlies. Ook als geen sprake is van onbehoorlijke taakvervulling van bestuurder jegens vennootschap, kan zijn handelen jegens derde nog wel ernstig verwijtbaar zijn. Dat trustee geen – beslissende – zeggenschap had in vennootschappen waarvan zij trustee is, betekent niet dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van overtreden van Wet toezicht effectenverkeer door deze vennootschappen. Trustee kan ook zonder zeggenschap gehouden zijn toezicht te houden op naleving van de(ze) wet. Hof heeft bij afwijzen vordering een en ander miskend.

HR 28.1.2011 NJ 2011 nr. 167 met noot Van Schilfgaarde

Bank verstrekt krediet aan vennootschap voordat deze in handelsregister is ingeschreven. Na faillissement van vennootschap vordert bank van (indirect) bestuurders voldoening van restschuld. Gelet op bewoordingen en wetsgeschiedenis strekt art. 2:180 lid 2 sub a BW niet slechts ter bescherming van derden die met vennootschap handelen in tijdvak tussen oprichting en eerste inschrijving in handelsregister, maar ook van algemeen belang dat is betrokken bij naleving door bestuurders van inschrijvingsplicht. Redelijkheid en billijkheid kunnen dwingende rechtsregel corrigeren, maar aan motivering van rechterlijk oordeel terzake moeten hoge eisen worden gesteld. Overwegingen die door Hof aan oordeel dat bank zich niet op art. 2:180 lid 2 sub a BW kan beroepen ten grondslag zijn gelegd, voldoen aan deze eisen.

HR 11.2.2011 NJ 2011 nr. 305 met noot Van Schilfgaarde

Partij tegels van failliete vennootschap wordt met tussenkomst van bank verkocht aan vennootschap waarvan bestuurder failliete vennootschap enig aandeelhouder is. Tegels worden met flinke winst doorverkocht aan derde. Ontvanger vordert vergoeding van hierdoor als schuldeiser in faillissement geleden verhaalsschade. Op voormalige bestuurders van failliete vennootschap kan extra zorgplicht rusten, in die zin dat zij en degene(n) die met hen 'samenspannen' (bank) eerder onrechtmatig handelen dan willekeurige derde als zij onvoldoende rekening houden met gerechtvaardigde belangen van schuldeisers. Hof heeft miskend dat deze bijzondere hoedanigheid op bestuurder blijft rusten, ook als hij door curator is benaderd met (slechts) verzoek om tegels te kopen. Oordeel Hof dat bank belangen Ontvanger niet op onrechtmatige wijze heeft veronachtzaamd, houdt stand.
Zie voor vervolg Gerechtshof Den Haag 12.3.2013 ECLI:NL:GHDHA:2013:624, NJF 2013 nr. 363: bestuurder heeft niet door hem jegens boedel en Ontvanger te betrachten zorgvuldigheid in acht genomen, ter zake waarvan hem ernstig verwijt treft. Bestuurder heeft onrechtmatig gehandeld.

HR 18.3.2011 NJ 2011 nr. 132

Nederlandse vennootschap en haar dochterondernemingen gaan failliet. Curator spreekt Belgische vennootschap als bestuurder van Nederlandse vennootschap aan voor tekorten van failliete boedels. Belgische vennootschap kan ingevolge art. 2:11 BW aansprakelijk zijn; dat bestuurder buitenlandse rechtspersoon is, staat niet aan toepasselijkheid van art. 2:11 BW in weg. Dit volgt uit art. 3 aanhef en sub e Wet conflictenrecht corporaties.

HR 8.7.2011 NJ 2011 nr. 477 met noot Zwemmer

Ontvanger stelt bestuurder van vennootschap aansprakelijk uit onrechtmatige daad voor illusoir maken van verhaal van belastingschuld. Voor toewijsbaarheid van vordering komt het niet alleen aan op totale omvang van verhaalsschade, maar moet ook vraag naar causaal verband worden beantwoord. Niet kan worden aanvaard dat omvang van te vergoeden schade zonder meer zou worden bepaald door (jegens vennootschap onherroepelijk geworden) aanslag waarvan bestuurder niet langs bestuursrechtelijke weg rechtmatigheid heeft kunnen laten bepalen. Civiele rechter die over toewijsbaarheid van vordering ex art. 6:162 BW oordeelt, dient zich oordeel te vormen over rechtmatigheid van aanslag als zodanig.

LJN BX5881

HR 23.11.2012 LJN BX5881, RvdW 2012 nr. 1473, JA 2013 nr. 59 met noot Leopold en Van Vlooten

Kopers van villa in Spanje spreken bemiddelingskantoor en diens (indirect) bestuurder aan tot schadevergoeding vanwege afbraak van gekochte villa waarvoor geen bouwvergunning was afgegeven. Bestuurder is aansprakelijk voor in strijd handelen met op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens kopers. Voor dergelijke aansprakelijkheid van bestuurder – die niet tekortschietende of onbehoorlijke taakuitoefening als bestuurder betreft, maar berust op daarvan losstaande zorgvuldigheidsnorm - gelden gewone regels van onrechtmatige daad. In bijzonder is niet vereist dat bestuurder ernstig verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt. Dat geldt ook wanneer onrechtmatige gedragingen van bestuurder in maatschappelijk verkeer (tevens) als gedragingen van vennootschap kunnen worden aangemerkt, zodat ook vennootschap uit eigen hoofde ex art. 6:162 BW aansprakelijk kan worden gehouden. Vordering toegewezen.

LJN BY0662

HR 30.11.2012 LJN BY0662, RvdW 2012 nr. 1524

Kredietverstrekker spreekt (indirect) bestuurder van vennootschap met succes aan uit onrechtmatige daad voor ontbreken van verhaal voor aan vennootschap verstrekt en opgezegd krediet. Aan bestuurder kan persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt dat hij heeft bewerkstelligd of heeft toegelaten dat omvangrijke vermogensonttrekkingen zijn gedaan met als gevolg dat vennootschap niet meer over voldoende middelen beschikte voor terugbetaling aan kredietverstrekker, terwijl voor vordering evenmin voorziening in jaarrekening was opgenomen. Hoge Raad doet zaak af op art. 81 lid 1 RO.

ECLI:NL:HR:2013:BZ7189

HR 12.7.2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ7189, NJ 2013 nr. 401

Curator stelt bestuurder ex art. 2:248 BW aansprakelijk voor tekort in faillissement en beroept zich daarbij op te late openbaarmaking van jaarrekening. Ook als belang bij openbaarmaking betrekkelijk is omdat vennootschap geen of weinig activiteiten verricht dan wel zij geen of weinig relaties heeft, wijst niet-tijdige openbaarmaking van jaarrekening op zichzelf op onbehoorlijke taakvervulling door bestuur. Van onbelangrijk verzuim als bedoeld in art. 2:248 lid 2 BW is sprake indien voor verzuim aanvaardbare verklaring bestaat. Of overschrijding van openbaarmakingstermijn van art. 2:394 lid 3 BW als onbelangrijk verzuim kan gelden, hangt af van omstandigheden van geval (HR 2.2.1996 NJ 1996 nr. 406 en HR 20.10.2006 NJ 2007 nr. 2). Bij antwoord op vraag of aangevoerde omstandigheden aanvaardbare verklaring voor te late publicatie opleveren, is niet als zodanig van belang dat omstandigheden tot risicosfeer van bestuurder behoren. Dat te late openbaarmaking valt terug te voeren op misverstand en bestuurder maatregelen had moeten treffen, brengt nog niet mee dat geen sprake is van aanvaardbare verklaring.

ECLI:NL:HR:2013:1079

HR 1.11.2013 ECLI:NL:HR:2013:1079, NJ 2014 nr. 7 met noot Van Schilfgaarde

Curator spreekt bestuurder ex art. 2:248 BW aan voor tekort in faillissementen van drie vennootschappen. Jaarstukken zijn te laat gepubliceerd. Onbelangrijk verzuim dat niet in aanmerking wordt genomen (art. 2:248 lid 2 BW) ziet op onbehoorlijke taakvervulling door bestuur en niet op aandeel van individuele bestuurder daarin. Niet alleen periode dat bestuurder nog beleidsbepaler bij ene vennootschap was, maar gehele periode van overschrijding van publicatietermijn moet in beoordeling worden betrokken. Ten aanzien van andere twee vennootschappen kon Hof oordelen dat sprake was van onbelangrijk verzuim; termijn was met tien dagen overschreden en verklaring dat accountant te druk was met due diligence onderzoek bij vennootschappen is plausibel. Maatstaven uit HR 12.7.2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ7189 brengen mee dat in geval van relatief korte overschrijding van openbaarmakingstermijn geen hoge eisen zijn te stellen aan verklaring die daarvoor wordt gegeven (vgl. HR 11.6.1993 NJ 1993 nr. 713 en HR 2.2.1996 NJ 1996 nr. 406).

ECLI:NL:HR:2014:829

HR 4.4.2014 ECLI:NL:HR:2014:829

Na overdracht van haar activa aan zustermaatschappij biedt vennootschap geen verhaal voor onbetaald gelaten vordering met betrekking tot uitgevoerde vliegreizen. Vennootschap en bestuurders doen beroep op verrekening; doordat met kleinere vliegtuigen is gevlogen, hebben zij schade geleden. Te verrekenen bedrag wordt door rechter uiteindelijk op veel lager bedrag vastgesteld, waardoor aanzienlijke schuld resteert. Voor persoonlijke aansprakelijkheid geldt dat bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor als gevolg daarvan optredende schade. Voor ernstig verwijt is voldoende dat bestuurder ten tijde van hem verweten handelen of nalaten ernstig rekening had moeten houden met mogelijkheid dat ondanks gestelde tegenvordering vordering op vennootschap zou resteren. Bestuurders zijn aansprakelijk.

ECLI:NL:HR:2014:1204

HR 23.5.2014 ECLI:NL:HR:2014:1204

Dochtervennootschap Bouwbedrijf doet substantiële betalingen aan moedervennootschap Beheer vlak voor faillissement van Bouwbedrijf, welke betalingen zijn bevorderd door enig bestuurder van Beheer, die enig bestuurder was van Bouwbedrijf. Voor aansprakelijkheid van indirect bestuurder jegens gezamenlijke crediteuren van Bouwbedrijf moet aansluiting worden gezocht bij maatstaven uit HR 8.12.2006 NJ 2006 nr. 659. Gelet op concrete feiten en omstandigheden wist of moest bestuurder redelijkerwijs begrijpen dat betalingen door Bouwbedrijf tot gevolg zouden hebben dat Bouwbedrijf andere verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor als gevolg daarvan optredende schade. Bestuurder valt van bevorderen van die betalingen persoonlijk ernstig verwijt te maken en heeft onrechtmatig gehandeld.

ECLI:NL:HR:2014:2627

HR 5.9.2014 ECLI:NL:HR:2014:2627, RvdW 2014 nr. 1016

Bestuurder gaat namens vennootschappen verplichting aan tot verstrekken van eerste pandrecht aan financieringsinstelling, maar er wordt pandrecht van lagere rang verstrekt. Na uitwinning van pandrechten resteert vordering van financieringsinstelling, waarvoor zij bestuurder persoonlijk aansprakelijk stelt. Hoge Raad zet systeem van persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurder uiteen. Voor aannemen daarvan gelden hogere eisen dan in algemeen. Bestuurder moet bij aangaan van verbintenis hebben geweten of redelijkerwijze hebben behoren te begrijpen dat vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en dat schuldeiser van vennootschap als gevolg van dat handelen schade zou lijden. Enkele omstandigheid dat schuldeiser, anders dan was overeengekomen, geen eerste maar tweede pandrecht heeft verkregen, brengt nog niet mee dat hij dientengevolge schade lijdt. Financieringsinstelling heeft onvoldoende gesteld dat haar schade voorzienbaar was op moment dat bestuurder namens vennootschappen verplichting tot vestigen van pandrechten aanging. Bestuurder is niet aansprakelijk.

ECLI:NL:HR:2014:2628

HR 5.9.2014 ECLI:NL:HR:2014:2628, RvdW 2014 nr. 1014

Gevolmachtigde, die namens verkoper handelt, laat koper koopprijs niet aan verkoper overmaken maar aan vennootschap, waarvan hij bestuurder is. Volmachtgever vordert betaling van dit bedrag van gevolmachtigde. Hoge Raad onderscheidt hoedanigheid waarin bestuurder handelt en verduidelijkt HR 23.11.2012 NJ 2013 nr. 302 (Spaanse villa). Als niet is gehandeld bij taakvervulling als bestuurder van vennootschap, geldt niet verzwaarde maatstaf van bestuurdersaansprakelijkheid. Dit sluit niet uit dat onrechtmatige gedragingen van betrokkene ook aan vennootschap kunnen worden toegerekend, die dan uit eigen hoofde aansprakelijk kan worden gehouden. Gevolmachtigde heeft jegens volmachtgever gehandeld als bestuurder en niet in persoon. Hem kan veronderstellenderwijze persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt van in strijd met instructie overmaken van koopprijs naar eigen vennootschap. Niet valt in te zien waarom bekendheid van (ook) volmachtgever met zwakke financiële positie van deze vennootschap zou meebrengen dat beweerdelijk geschonden norm niet zou strekken tot bescherming van volmachtgever, zoals Hof overwoog. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2014:2930

HR 10.10.2014 ECLI:NL:HR:2014:2930, RvdW 2014, 1133

Vennoten van v.o.f. zijn verschillende vastgoedtransacties aangegaan, waarbij panden tegen lagere waarde dan marktwaarde zijn verkocht en overwaarde is onttrokken aan verhaal van schuldeisers. Na faillissement van v.o.f. spreekt curator wederpartijen van vastgoedtransacties aan. Deze hebben onrechtmatig gehandeld. Hof stelt bij wege van schatting schadevergoeding vast, hoewel schadevergoeding op te maken bij staat was gevorderd. Partijdebat moet dit toelaten en rechter dient beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen. Hof heeft hem toekomende beoordelingsvrijheid niet overschreden. Hof is ervan uitgegaan dat bestuurder van kopende vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld, maar heeft niet vraag beantwoord of hem ter zake van benadeling persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Oordeel Hof is er echter op gebaseerd dat bestuurder niet alleen privé maar ook in hoedanigheid van bestuurder doelbewust met één van vennoten heeft samengespannen om gedeelte van overeengekomen koopprijzen aan zicht van schuldeisers van vennoot te onttrekken. Dit laat geen andere conclusie toe dan dat bestuurder persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van door vennootschap gepleegde onrechtmatige daad.

ECLI:NL:HR:2014:2932

HR 17.10.2014 ECLI:NL:HR:2014:2932

Curator stelt indirect bestuurders aansprakelijk voor faillissementstekort omdat zij niet voldaan hebben aan boekhoudplicht van art. 2:10 BW en in strijd met art. 2:207c (oud) BW hebben gehandeld. Aan boekhoudplicht is voldaan indien boekhouding van zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en stand van liquiditeiten, gezien aard en omvang van onderneming, redelijk inzicht geven in vermogenspositie. Boekhouding voldoet aan daaraan te stellen eisen. Hof is niet ingegaan op grondslag dat bestuurders taak onbehoorlijk hebben vervuld door in kader van management buy out lening te verstrekken zonder dat daarvoor zekerheden werden bedongen. Beslissing is daarom niet naar behoren gemotiveerd. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2015:246

HR 6.2.2015 ECLI:NL:HR:2015:246

Tussen (indirect) bestuurder van kopende vennootschap en verkopers gesloten koopovereenkomst wordt niet nagekomen, waarvoor kopende vennootschap geen verhaal biedt. Hof merkt handelen van bestuurder als onrechtmatig jegens verkopers aan. Bestuurder heeft namens vennootschap contractuele verplichtingen aanvaard, zodat handelen in hoedanigheid van bestuurder moet worden beoordeeld. Voor aannemen van aansprakelijkheid is vereist dat bestuurder ter zake van benadeling persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hof heeft dit niet onderzocht, waarna vernietiging volgt.

ECLI:NL:HR:2015:499

HR 27.2.2015 ECLI:NL:HR:2015:499, NJ 2015 nr. 240 met noot Van Schilfgaarde

 Indirect bestuurder van vennootschap vraagt met spoed faillissement aan en geeft later die dag aan bank betalingsopdrachten die bank uitvoert. Bank moet bedrag terugbetalen aan curator en spreekt indirect bestuurder daarvoor aan. Oordeel Hof dat gesteld noch gebleken is dat indirect bestuurder persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en onvoldoende is gesteld voor aannemen van aansprakelijkheid van direct bestuurder is in licht van stellingen van bank onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd. Voor aansprakelijkheid van bestuurder van vennootschap voor tekortkoming of onrechtmatige daad van die vennootschap is vereist dat bestuurder ter zake van daaruit voortvloeiende benadeling van derden persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Onbekendheid met bepaalde wettelijke regel kan in dit verband mede van belang zijn. Het was in kader van verweer aan indirect bestuurder om aan te voeren dat hij niet op hoogte was van terugwerkende kracht van faillissement. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2015:522

HR 6.3.2015 ECLI:NL:HR:2015:522, RvdW 2015 nr. 376

Curatoren van failliete vennootschappen spreken echtgenote van indirect bestuurder aan als feitelijk beleidsbepaler (art. 2:248 lid 7 BW) voor tekort in faillissementen wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. Voornaamste oorzaak van faillissementen zouden toegekende managementvergoedingen zijn. Hof honoreert disculpatieverweer dat echtgenote voor eerdere besluitvorming over vergoedingen geen enkele verantwoordelijkheid heeft gehad en wijst vordering af. Hof heeft ingevolge art. 2:248 lid 3 BW echter niet vastgesteld dat echtgenote heeft bewezen dat onbehoorlijke taakvervulling niet aan haar te wijten is geweest en dat zij niet nalatig is geweest in treffen van maatregelen om gevolgen van onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. Oordeel Hof geeft derhalve blijk van onjuiste rechtsopvatting. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2016:233

HR 12.2.2016 ECLI:NL:HR:2016:233

Twee advocaten hebben met hun vennootschappen in maatschapsverband praktijk uitgeoefend en maatschap huurde daarvoor pand. Na ontbinding van maatschap is door één van advocaten nieuw opgerichte vennootschap advocatenpraktijk in gehuurde pand blijven uitoefenen en deze betaalde 50% van huurprijs. Vennootschap van voortzettende advocaat wordt veroordeeld tot betaling van gehele huurprijs, waarna deze failliet gaat. Curator stelt bestuurder van deze vennootschap op grond van art. 2:248 BW aansprakelijk voor boedeltekort vanwege te laat deponeren van jaarrekening. Bestuurder stelt dat belangrijke oorzaak van faillissement achterblijven van omzet van andere maat is en daardoor voor helft onbetaald blijven van verschuldigde huur en hem dit niet als onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten. Hof kon dit verweer niet zonder nadere motivering verwerpen. Van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling is pas sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld (vgl. o.a. HR 8.6.2001 ECLI:NL:HR:2001:AB2053, NJ 2001 nr. 454). Zonder motivering valt niet in te zien hoe enkele omstandigheid dat bestuurder zicht had of kon hebben op financiële positie van andere maat oordeel Hof kan dragen dat bestuurder onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten met betrekking tot omstandigheid dat teruglopende omzet bij andere maat oorzaak is geweest van faillissement van zijn vennootschap. Bestuurder is ten onrechte in kosten van door hem ingesteld incidentele hoger beroep veroordeeld. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2016:233

HR 12.2.2016 ECLI:NL:HR:2016:233

Curator stelt bestuurder van failliete advocaten-BV aansprakelijk voor boedeltekort uit hoofde van art. 2:248 BW, nu jaarrekening te laat is gedeponeerd. Bestuurder stelt dat achterblijven van omzet van andere advocaten-BV met wie kostenmaatschap was aangegaan en daardoor voor helft onbetaald blijven van verschuldigde huur als belangrijke oorzaak van faillissement moet worden aangemerkt. Oordeel Hof dat bestuurder in dat verband verwijt van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gemaakt is onbegrijpelijk. Van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling is pas sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld (vgl. onder meer HR 8.6.2001 NJ 2001 nr. 454). Niet valt in te zien hoe enkele omstandigheid dat bestuurder zicht had of kon hebben op financiële positie van andere BV (maat) oordeel kan dragen dat bestuurder onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten met betrekking tot omstandigheid dat teruglopende omzet bij maat oorzaak is geweest van faillissement. Hof kon bestuurder niet in kosten van incidentele hoger beroep veroordelen. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2017:215

HR 10.2.2017 ECLI:NL:HR:2017:215

Curator vordert van bestuurder gefailleerde groothandel in kantoorartikelen betaling van faillissementstekort op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur art. (2:11 BW jo.) 2:248 lid 1 BW. Jaarrekening is niet tijdig gepubliceerd, waarmee onbehoorlijke taakvervulling vaststaat. Bestuurder voert aan dat gewijzigde marktomstandigheden en externe oorzaken faillissement hebben veroorzaakt en dat hij alles heeft gedaan om dreigende liquiditeitskrapte en faillissement af te wenden. Gelet op betwisting door curator en feit dat agiouitkering is gedaan en met rekening-courant is verrekend, slaagt bestuurder naar oordeel Hof er niet in om (weerlegbare) bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW te ontzenuwen. Hoge Raad doet zaak af op grond van art. 81 lid 1 RO. A-G gaat in op stelsel van art. 2:248 BW en in bijzonder bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW.

ECLI:NL:HR:2017:216

HR 10.2.2017 ECLI:NL:HR:2017:216

Curator vordert op grond van art. 2:248 BW faillissementstekort van bestuurder van tussenpersoon in rijwielbranche. Hof wijst vordering toe. Bestuurder wist, althans behoorde te begrijpen op basis van toelichting op balans bij jaarrekening in periode drie jaar voor faillissement dat verzekeraar geen schades meer uitbetaalde aan tussenpersoon. Bestuurder gaf feitelijk leiding aan verzekeraar en had daarmee in hand of verzekeraar tot betaling zou overgaan. Hij heeft nagelaten te bewerkstelligen dat verzekeraar aan haar verplichtingen zou voldoen of dat tussenpersoon verzekeringen bij andere verzekeraar zou onderbrengen. Tussenpersoon heeft voorafgaand aan faillissement nieuwe verzekeringen afgesloten bij verzekeraar, terwijl bestuurder wist, althans behoorde te begrijpen dat verzekeraar geen uitkeringen meer zou doen. Dat tussenpersoon zelf schades heeft uitbetaald, doet daar niet aan af, nu betalingen ten koste zijn gegaan van eigen liquiditeiten tussenpersoon. Er is sprake van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door bestuurder. Hoge Raad doet zaak af op art. 81 lid 1 RO. A-G schetst in conclusie uitgangspunten voor toepassing van art. 2:248 lid 1 BW.

ECLI:NL:HR:2017:211

HR 10.2.2017 ECLI:NL:HR:2017:211

Bestuurder int facturen van vennootschap op eigen rekeningnummer en verkoopt in strijd met statuten licenties van software van vennootschap aan derde. Medebestuurder en vennootschap stellen bestuurder aansprakelijk voor schade als gevolg van dit handelen. Aan vennootschap toekomende teruggaaf omzetbelasting is zonder deugdelijke grond overgemaakt op rekening ten name van bestuurder en bestuurder heeft dit niet aan vennootschap doorbetaald. Hiermee heeft bestuurder onrechtmatig gehandeld. Bestuurder heeft zonder statutair vereiste toestemming van aandeelhoudersvergadering en prioriteit software verkocht, waarvan hem ernstig verwijt kan worden gemaakt. Er is sprake van onbehoorlijk bestuur in zin van art. 2:9 BW. Hof veroordeelt bestuurder tot schadevergoeding. Hoge Raad doet zaak af op art. 81 lid 1 RO. A-G schetst in zijn conclusie uitgangspunten bij toepassing van art. 2:9 en art. 6:162 BW en hoe beide normen zich tot elkaar verhouden.

ECLI:NL:HR:2017:275

HR 17.2.2017 ECLI:NL:HR:2017:275

Commissionair geeft in valse Out-Turn Statements lagere verkoopopbrengsten en hogere douanekosten op. Bestuurder van inmiddels failliet verklaarde commissionair (Holding) is hiervoor op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk jegens fruitexporteur. Centraal staat externe aansprakelijkheid van tweedegraads bestuurder tegenover leverancier/schuldeiser. Naar oordeel Hof is voor op art. 2:11 BW gebaseerde aansprakelijkheid van bestuurder van Holding vereist dat hem persoonlijk voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hoge Raad overweegt dat art. 2:11 BW van toepassing is in alle gevallen waarin rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van wet, waaronder ook art. 6:162 BW valt. Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van ontstaan van aansprakelijkheid van rechtspersoon-bestuurder (Holding) daarvan bestuurder is. Voor aansprakelijkheid van die indirect bestuurder geldt niet aanvullende eis dat ook die bestuurder persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij aansprakelijkheid van rechtspersoon-bestuurder op grond van art. 6:162 BW kan indirect bestuurder aansprakelijkheid ex art. 2:11 BW voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van gedragingen waarop aansprakelijkheid van rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2017:484

HR 24.3.2017 ECLI:NL:HR:2017:484

Projectontwikkelaar van voetbalstadion en kantoren vordert schadevergoeding van kopende vennootschap wegens niet-nakoming van koopovereenkomst en dat bestuurder van kopende vennootschap wordt veroordeeld tot betaling indien koper daartoe niet in staat blijkt. Vraag of bestuurder aansprakelijk is, wordt beoordeeld aan hand van maatstaf uit Ontvanger/Roelofsen (HR 8.12.2006 ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006 nr. 659). Hof kon oordelen dat bestuurder van kopende vennootschap aansprakelijk is jegens projectontwikkelaar, omdat hem persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. In zijn oordeel ligt besloten dat bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat koper zijn verplichtingen jegens projectontwikkelaar niet kon nakomen, terwijl bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat koper geen verhaal zou bieden voor schadevordering van verkoper, doordat bestuurder niet ervoor heeft zorggedragen dat koper van financiële middelen was voorzien.

ECLI:NL:HR:2017:486

HR 24.3.2017 ECLI:NL:HR:2017:486

Anders dan bestuurder in pandakte verklaart, krijgt bank tweede in plaatse van eerste pandrecht. Bank brengt financiering van vennootschap vervolgens over naar afdeling bijzonder beheer, waardoor vennootschap schade lijdt. Vennootschap stelt bestuurder aansprakelijk. Hof oordeelt dat bestuurder ernstig verwijt kan worden gemaakt van gang van zaken rondom verlenen van pandrecht aan bank en dat hij aansprakelijk is op voet van art. 2:9 BW. Bestuurder stelt in cassatie onder meer dat voorzienbaarheid van schade vereiste is voor interne bestuurdersaansprakelijkheid. Hoge Raad gaat daar niet in mee en doet zaak af op art. 81 lid 1 RO. A-G zet uitgangspunten bij bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 en 6:162 BW uiteen.

ECLI:NL:HR:2017:754

HR 21.4.2017 ECLI:NL:HR:2017:754

Aandelentransactie vindt plaats met (gedeeltelijk) uitgestelde betalingsverplichting. Restant koopsom dient uiterlijk na vier jaar door koper aan verkoper te worden voldaan. Tijdens deze vierjaarstermijn vindt interne herstructurering plaats van koper en haar moedermaatschappij, wat er feitelijk toe leidt dat vermogen van koper wordt gereduceerd tot EUR 1,00. Verkoper spreekt koper en moedermaatschappij koper aan tot betaling restant koopsom. Aan interne herstructurering ten grondslag liggende rechtshandelingen zijn Paulianeus, want verkoper werd daardoor benadeeld in verhaalspositie. Moedermaatschappij koper was op hoogte van benadeling, dus (mede) aansprakelijk jegens verkoper. Betrokken (indirecte) bestuurders zijn tevens persoonlijk aansprakelijk, nu zij wisten of behoorden te begrijpen dat interne herstructuring ertoe leidde dat koper haar verplichtingen jegens verkoper niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor als gevolg daarvan door verkoper geleden schade.

ECLI:NL:HR:2017:3019

HR 24.11.2017 ECLI:NL:HR:2017:3019

Bedrijfstakpensioenfonds vordert betaling van (middellijk) bestuurder van onbetaald gebleven premies. Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat voormalig bestuurder van inmiddels failliete vennootschap administratie buiten procedure heeft gehouden. Voormalig bestuurder kan in beginsel namelijk niet meer beschikken over of toegang krijgen tot die administratie. Hof heeft niet vastgesteld of voormalig bestuurder administratie heeft behouden of achtergehouden of kopie daarvan heeft gemaakt. Indien melding van betalingsonmacht op voet van art. 23 lid 2 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 is gedaan, behoeft niet opnieuw zodanige melding te worden gedaan zolang nog sprake is van betalingsachterstand, tenzij bedrijfstakpensioenfonds betalingsplichtige na ontvangst van betaling schriftelijk doet weten betalingsonmacht niet langer aanwezig te achten. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2018:470

HR 30.3.2018 ECLI:NL:HR:2018:470

Vervolg op HR 17.12.2010 ECLI:NL:HR:2010:BO1979, NJ 2011 nr. 8. Hoge Raad zet maatstaf voor externe bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW uiteen. Voor aannemen van aansprakelijkheid van bestuurder naast vennootschap gelden hogere eisen dan in algemeen geval is. Dit geldt ook als trustmaatschappij als bestuurder optreedt (HR 8.7.2011 ECLI:NL:HR:2011:BP8686). Behoudens bij toepassing van art. 2:11 BW, moet voor aannemen van aansprakelijkheid voor iedere bestuurder afzonderlijk worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend. Schending door vennootschap van wettelijke voorschriften ter bescherming van beleggend publiek brengt niet mee dat aansprakelijkheid van bestuurder ex art. 6:162 BW kan worden aangenomen zonder dat sprake is van persoonlijk ernstig verwijt of dat die aansprakelijkheid wordt aangenomen op grond van vermoeden van persoonlijk ernstig verwijt. Ook houden van onvoldoende toezicht op uitoefening van taak door medebestuurder kan onder omstandigheden persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurder meebrengen. Hof heeft dit niet miskend.

ECLI:NL:HR:2019:236

HR 15.2.2019 ECLI:NL:HR:2019:236

 Verhuurder vordert van bestuurders van holding schadevergoeding wegens niet-nakomen van huurgarantie door holding. Met arrest van Hoge Raad van 15 november 2013 zijn verplichtingen uit huurgarantie komen vast te staan. Naar oordeel Hof staat onbekendheid van bestuurders met rechtsregel uit dit arrest eraan in weg dat hen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Bestuurder kan naast vennootschap aansprakelijk zijn voor benadeling van schuldeiser van vennootschap door onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt (HR 8.12.2006 ECLI:NL:HR:2006:AZ0758). Beroep van verhuurder op deze grond ziet niet uitsluitend op moment waarop holding huurgarantie gaf, maar ook op periode daarna. Verhuurder heeft gedragingen en omstandigheden aangevoerd uit periode na arrest uit 2013 en uit processtukken van bestuurders volgt dat zij na arrest niet langer onbekend waren met rechtsregel daaruit. Daarom kon Hof aansprakelijkheid van bestuurders niet afwijzen op grond van onbekendheid met die rechtsregel. Volgt vernietiging.

lagere rechters

Rechtbank Rotterdam 9.5.2007 NJF 2007 nr. 445

Bestuurder transportonderneming laat chauffeurs onverminderd gebruik maken van tankpassen, terwijl onderneming in zwaar weer verkeert. Brandstoffenleverancier stelt dat bestuurder persoonlijk aansprakelijk is omdat hij gebruik tankpassen had moeten staken. Vordering wordt afgewezen. Dat bestuurder bedrijfsactiviteiten heeft voortgezet en daardoor (verantwoord) risico heeft genomen, kan hem niet worden verweten. Dit zou pas anders zijn als bestuurder had behoren te voorzien dat risico verkeerd zou uitpakken.

Gerechtshof 's-Gravenhage 28.8.2008 NJF 2008 nr. 457

Kort voor faillissement van vennootschap doet (indirect) bestuurder selectief onverschuldigde/niet-opeisbare betalingen, waardoor financiële positie van vennootschap aanzienlijk verslechtert. Ook rijzen twijfels bij rechtsgrond van crediteringen. Blijkens parlementaire geschiedenis moet bij onbehoorlijk bestuur in zin van art. 2:248 BW gedacht worden aan roekeloos, lichtzinnig, onbezonnen en onverantwoord gedrag. Handelen bestuurder is aan te merken als kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dit is tevens onrechtmatig jegens gezamenlijke schuldeisers, die voorzienbaar in verhaalsmogelijkheden zijn beknot.

Gerechtshof 's-Gravenhage 16.9.2008 NJF 2008 nr. 458

Door faillissement blijft groep bedrijven in gebreke met betaling van huur. Verhuurder vordert schadevergoeding van bestuurder van holding, die is aangesteld toen groep al in financiële moeilijkheden verkeerde. Dergelijke bestuurder kan niet als onrechtmatige daad worden aangerekend dat hij voor bedrijf transacties aangaat wanneer risico bestaat dat daaruit voortvloeiende verplichtingen niet kunnen worden voldaan, maar er ook reële overlevingskansen zijn. Omslagpunt is moment, vast te stellen ten gunste van bestuurder, dat deze weet of behoort te weten dat deconfiture van bedrijf (nagenoeg) onafwendbaar is en er geen reële kans meer is dat bedrijf verplichtingen kan voldoen en verhaal biedt. Handelwijze bestuurder doorstaat toets van HR 8.12.2006 NJ 2006 nr. 659 (Ontvanger/Roelofsen), niet opgenomen.