English

Jurisprudentie

Aandelenlease-overeenkomsten

HR 28.3.2008 NJ 2009 nr. 578

Vrouw ontbindt buiten rechte door haar man aangegane aandelenlease-overeenkomsten wegens ontbreken toestemming als bedoeld in art. 1:88 lid 1 sub d BW. Ratio van deze bepaling is echtgenoten in hun onderlinge verhouding te beschermen. Koop op afbetaling kan ook betrekking hebben op vermogensrechten. Aan eis van aflevering is voldaan wanneer koper genot van aandelen verkrijgt. Man was nog niet volledig rechthebbende op aandelen, maar liep wel volledige risico en verkreeg recht op dividend en had dus genot van aandelen. Nu aandelenlease-overeenkomsten overeenkomsten van huurkoop zijn, is voor aangaan deze overeenkomsten schriftelijke toestemming van andere echtgenoot vereist. Ontbreekt deze, dan kan echtgenoot nietigheid overeenkomst inroepen hetgeen tot gevolg heeft dat gehele overeenkomst wordt vernietigd.

HR 5.6.2009 RvdW 2009 nr. 683, JA 2009 nr. 117 met noot Van Boom onder nr. 118, RAV 2009 nr. 77

Proefprocedure over bijzondere zorgplicht van bank als aanbieder van effectenlease-producten jegens particuliere afnemers. Zie ook HR 5.6.2009 RvdW 2009 nrs. 684 en 685. Zeer uitgebreid arrest waarin Hoge Raad in algemene beschouwing ingaat op zorgplicht en schadevergoeding bij schending zorgplicht. Ook dwaling, misleidende reclame, misbruik van omstandigheden en Wet op het consumentenkrediet komen aan de orde. Bijzondere zorgplicht van bank als professionele dienstverlener strekt ertoe particulieren te beschermen tegen gevaren van eigen lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht. Dexia heeft deze zorgplicht geschonden (1) door niet indringend te waarschuwen voor bijzondere gevaar van restschuld bij tussentijdse beëindiging van effectenlease-overeenkomst en (2) door geen onderzoek te doen naar inkomens- en vermogenspositie van klant. Dexia had klant aangaan van overeenkomst moeten ontraden. Aangaan van overeenkomst kan aan bank worden toegerekend ex art. 6:98 BW, zodat bank in beginsel schade dient te vergoeden. Bij toepassing van art. 6:101 BW wegen fouten van klant in beginsel minder zwaar dan fouten aan zijde van bank. Daarbij kan in HR 5.6.2009 RvdW 2009 nr. 684 toegepaste verdeling dat klant 40% van schade draagt en bank 60% ook in andere, soortgelijke geschillen tot uitgangspunt worden genomen.

HR 5.6.2009 RvdW 2009 nr. 684, JA 2009 nr. 116 met noot Van Boom onder nr. 118

Proefprocedure over bijzondere zorgplicht van bank als aanbieder van effectenlease-producten jegens particuliere afnemers. Vergelijkbare beslissing als HR 5.6.2009 RvdW 2009 nr. 683 voor wat betreft zorgplicht en schadevergoeding bij schending zorgplicht. Bank is tekortgeschoten in verplichting (1) klant indringend te waarschuwen voor risico dat aan einde van looptijd effectenlease-overeenkomsten nog schuld zou kunnen resteren en (2) onderzoek te doen naar inkomens- en vermogenspositie van klant. Zorgplicht rust ook op bank in geval geen sprake is van advies- of vermogensbeheerrelatie, maar van 'kant-en-klaar' financieel product zonder persoonlijk contact. Privaatrechtelijke zorgplicht kan verdere reikwijdte hebben dan zorgplichten in publiekrechtelijke regelgeving. Oordeel Hof dat klant 40% eigen schuld heeft, is toereikend gemotiveerd.

HR 5.6.2009 RvdW 2009 nr. 685, JA 2009 nr. 118 met noot Van Boom

Collectieve actie inzake 'Sprintplan'-overeenkomsten. Overtreding van regels uit Besluit toezicht effectenverkeer 1995 leidt niet tot nietigheid of vernietigbaarheid van effectenlease-overeenkomsten. Wet op het consumentenkrediet is niet op overeenkomsten van toepassing. Mededelingen zijdens effecteninstelling zijn niet misleidend. Collectieve actie is mogelijk, nu, zich voor bundeling lenend, gelijksoortig belang van deelnemers bestaat bij gevorderde verklaring voor recht dat effecteninstelling onrechtmatig heeft gehandeld. Effecteninstelling heeft bijzondere zorgplicht jegens particuliere deelnemers geschonden. Op haar rustte verplichting om voor aangaan van overeenkomst deelnemer te waarschuwen voor risico van restschuld bij beëindiging van overeenkomst alsmede verplichting om inkomens- en vermogenspositie van deelnemers te onderzoeken. Deze oordelen van Hof blijven in stand. Zie ook HR 5.6.2009 RvdW 2009 nrs. 683 en 684.

HR 9.7.2010 NJ 2010 nr. 438

Door belegger met Dexia onder naam "Winstverdriedubbelaar" gesloten aandelenlease-overeenkomst kan worden beschouwd als koop op afbetaling en huurkoop. Overeenkomst strekt ertoe aan belegger door voorwaardelijke inschrijving van aandelen op zijn naam in administratie van bank genot daarvan te verschaffen. Dit valt aan te merken als aflevering in zin van art. 7A:1576h BW. Daaraan kan niet afdoen dat aan belegger toekomende dividenden werden verrekend met aan Dexia verschuldigde premies. Nu sprake is van huurkoopovereenkomst kan echtgenote van belegger ex art. 1:88 lid 1 sub d BW met succes nietigheid inroepen.

HR 28.1.2011 NJ 2011 nr. 59

Vrouw heeft door man gesloten effectenlease-overeenkomst op grond van art. 1:88 en 1:89 BW vernietigd. Dexia heeft vernietigbaarheid betwist. Daarna heeft Hof Amsterdam tussen aantal belangenorganisaties en Dexia gesloten overeenkomst (WCAM-overeenkomst) algemeen verbindend verklaard. Nu vernietiging niet door Dexia was aanvaard en man en vrouw geen opt out-verklaring ex art. 7:908 lid 2 BW hebben afgelegd, zijn zij aan WCAM-overeenkomst gebonden.

HR 28.1.2011 NJ 2012 nr. 603 met noot Snijders

Echtgenote vernietigt door afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomst op grond van art. 1:88 en 1:89 BW. Dexia beroept zich op verjaring van vernietigingsvordering (art. 3:52 BW). Hof heeft ten onrechte bewijsaanbod Dexia gepasseerd op grond dat zij onvoldoende concrete feiten heeft gesteld waaruit volgt dat echtgenote eerder dan drie jaar voor buitengerechtelijke vernietiging op hoogte was van overeenkomst. Van Dexia kon bezwaarlijk worden verlangd dat zij nadere feitelijke gegevens verstrekte omtrent eerdere bekendheid van echtgenote, nu stelling betrekking heeft op subjectieve omstandigheden die zich geheel in sfeer van afnemer en echtgenote hebben afgespeeld. Enkele omstandigheid dat geen getuigen zijn genoemd, wettigt niet conclusie dat bewijsaanbod onvoldoende concreet was.

HR 29.4.2011 NJ 2013 nr. 40 met noot Vranken onder nr. 41

Arrest bouwt voort op eerdere arresten inzake zorgplicht bij effectenlease (HR 5.6.2009 RvdW 2009 nrs. 683, 684 en 685). Hoge Raad formuleert uitgangspunten voor in kader van onderzoeksplicht van Dexia te beantwoorden vraag of sprake is van onaanvaardbaar zware financiële last voor afnemer. Daarbij moeten alle bekende omstandigheden die van invloed (kunnen) zijn op financiële ruimte van afnemer in aanmerking worden genomen. Weging daarvan is in hoge mate feitelijk van aard. Rechter mag uitgaan van algemene formule aan hand waarvan financiële ruimte van afnemer wordt getoetst, mits formule voldoende ruimte laat om ook met individuele omstandigheden van afnemer rekening te houden. Tot omstandigheden behoren niet alleen inkomens- en vermogenspositie van afnemer zelf, maar ook die van partner met wie hij gemeenschappelijke huishouding voerde, ongeacht in welke juridische verhouding afnemer tot partner staat. Het gaat om wat afnemer feitelijk ter beschikking staat. Ook juridische verhouding tussen afnemer en partner met betrekking tot hun vermogen(s) is niet van belang. Tegen door Hof toegepaste vuistregel gerichte klachten falen. Hof heeft op restschuld van afnemer uit eerdere effectenlease-overeenkomsten genoten voordeel ex art. 6:100 BW in mindering gebracht. Deze voordeelstoerekening blijft ook in stand. Zie voor vergelijkbaar oordeel HR 29.4.2011 NJ 2013 nr. 41 met noot Vranken.

HR 23.12.2011 NJ 2014 nr. 22 met noot Hijma

Echtgenote heeft door echtgenoot afgesloten effectenlease-overeenkomsten ('Levob Hefboom Effect') vernietigd wegens ontbreken van haar toestemming. Zij stelt terecht dat sprake is van koop op afbetaling. Bij toepassing van art. 7A:1576 lid 3 BW komt het erop aan dat door constructie die partijen aan hun handeling hebben gegeven wordt heengekeken. Het is slechts kwestie van constructie of maandelijks te betalen termijn is vormgegeven als rente over lening dan wel (zonder geldlening) als rente over schuldig gebleven koopsom, al dan niet met (gedeeltelijke) aflossingscomponent, met in alle gevallen forse slotbetaling na verkoop van aandelen na verstrijken van looptijd. Vooropgesteld dat effecten zijn aan te merken als 'verkochte zaak' die aan begin van looptijd wordt 'afgeleverd' aan deelnemer, heeft overeenkomst, in licht van art. 7A:1576 lid 3 BW, onmiskenbaar dezelfde strekking als koop en verkoop op afbetaling.

HR 17.2.2012 RvdW 2012 nr. 319

Dexia verweert zich met beroep op verjaring ex art. 3:52 BW tegen vordering tot vernietiging van effectenlease-overeenkomsten wegens ontbreken van toestemming echtgenote. Verjaring is gaan lopen vanaf moment dat echtgenote daadwerkelijk met overeenkomsten bekend is geworden. Dexia moet feiten stellen en bewijzen waaruit bekendheid kan worden afgeleid. Voor objectivering van eis van daadwerkelijk bekendheid is geen plaats; subjectieve bekendheid moet telkens concreet worden beoordeeld. Dexia heeft aan stelplicht voldaan: betaling van (substantiële) bedragen uit hoofde van lease-overeenkomsten vanaf "en/of"-rekening van belegger en echtgenote wettigen in beginsel conclusie dat echtgenote vanaf ontvangstdatum van oudste bankafschrift bekend was met overeenkomsten. Belegger en echtgenote mogen tegenbewijs leveren. Hof had hun bewijsaanbod niet mogen passeren op grond dat weinig geloofwaardig is dat echtgenote geen kennis heeft genomen van naar gezamenlijk adres gezonden bankafschriften. Zie ook HR 17.2.2012 RvdW 2012 nr. 323.

HR 13.7.2012 NJ 2014 nr. 23 met noot Hijma

Man is overeenkomst aangegaan met Ohra op grond waarvan Ohra hem lening verstrekt die wordt gebruikt voor aankoop van aandelen. Aandelen worden verpand aan Ohra. Na afloop van overeenkomst blijft restschuld over. Echtgenote vernietigt dan overeenkomst wegens ontbreken van toestemming (art. 1:88 lid 1 sub d BW). Hoewel deze kenmerken van verschillende overeenkomsten draagt (waaronder kredietovereenkomst en opdracht) kon Hof overeenkomst gelet op bedoeling van partijen bij sluiten daarvan, tevens als koopovereenkomst aanmerken. Er is sprake van koop op afbetaling, ondanks feit dat koopprijs aandelen is betaald uit geldlening. Door man verschuldigde termijnbedragen zijn in kader van art. 7A:1576 BW aan te merken als termijnbetalingen van koopprijs. Overeenkomst heeft voorts dezelfde strekking als huurkoop, nu medegedeelde pandrecht in wezen hetzelfde effect heeft als levering van aandelen onder opschortende voorwaarde van volledige betaling. Vorderingen echtpaar toegewezen.

ECLI:NL:HR:2013:CA0258

HR 20.9.2013 ECLI:NL:HR:2013:CA0258, NJ 2013 nr. 449

Na tussentijdse beëindiging van effectenlease-overeenkomst keert Dexia op basis van onjuiste eindafrekening bedrag aan afnemer uit, terwijl er restschuld resteerde. Bijna 2,5 jaar later raakt afnemer in kader van WCAM-overeenkomst (Duisenberg-regeling) hiervan op hoogte. Cessionaris van vordering Dexia vordert betaling restschuld van afnemer. Afnemer voert aan dat hij redelijkerwijs mocht vertrouwen op juistheid van toegestuurde eindafrekening. Dexia heeft op afrekening genoemde bedrag naar zijn rekening overgemaakt en bij Bureau Krediet Registratie beëindiging van effectenlease-overeenkomst opgegeven. Dat dit op vergissing berustte vernam afnemer pas jaren later van Dexia. Deze omstandigheden kunnen meebrengen dat Dexia in strijd met redelijkheid en billijkheid handelde door betaling van afnemer te verlangen. Hof heeft dit miskend. Als afnemer zich terecht op rechtsverwerking beroept, kan hij (ook) niet op grond van WCAM-overeenkomst (alsnog) verplicht worden tot betaling.

ECLI:NL:HR:2015:41

HR 9.1.2015 ECLI:NL:HR:2015:41

Voor verlengingsovereenkomsten, waarbij looptijd wordt verlengd van eerder gesloten effectenlease-overeenkomsten die als huurkoop moeten worden gekwalificeerd, is ook toestemming van andere echtgenoot vereist. Ratio van art. 1:88 lid 1 BW om echtgenoten tegen elkaar te beschermen onder meer wat betreft verrichten van rechtshandelingen die kunnen ingrijpen in hun financiële positie brengt dat mee.

ECLI:NL:HR:2015:1866

HR 10.7.2015 ECLI:NL:HR:2015:1866, RvdW 2015 nr. 921

Rechtsvordering tot vernietiging van effectenlease-overeenkomst, zulks op grond van ontbreken van toestemming andere echtgenoot, verjaart drie jaar na tijdstip waarop echtgenoot daadwerkelijk met overeenkomst bekend is geworden (art. 3:52 lid 1 aanhef sub d BW). Van daadwerkelijke bekendheid is niet pas sprake zodra echtgenoot wist of begreep dat zij bevoegd was overeenkomst te vernietigen. Voor aanvang van deze verjaringstermijn is bepalend welke feiten en omstandigheden bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met juridische beoordeling daarvan. Gelet op vastgestelde en aangevoerde feiten had Hof ambtshalve moeten toetsen of beding over restschuld bij tussentijdse beëindiging oneerlijk is in zin van richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

ECLI:NL:HR:2016:2012

HR 2.9.2016 ECLI:NL:HR:2016:2012

Proefprocedure over schadeverdeling op voet van art. 6:101 BW in effectenleasezaken en rol van cliëntenremisier (bijzonder soort effectenbemiddelaar) daarbij. Na voortijdige beëindiging van door tussenkomst van SpaarSelect met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomst resteert schuld. Dexia vordert van afnemer op basis van eerdere rechtspraak derde van resterende schuld. Vaststaat dat zij als aanbieder zorgplicht jegens afnemer niet is nagekomen. Indien cliëntenremisier zich niet beperkt tot aanbrengen van potentiële belegger bij beleggings- of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, dient hij op basis van Wet toezicht effectenverkeer 1995 over vergunning te beschikken. Dexia heeft in strijd gehandeld met art. 41 Nadere regeling toezicht effectenverkeer 1999 en daarmee jegens afnemer onrechtmatig, indien SpaarSelect jegens afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia dit wist of behoorde te weten. Bewijs hiervan moet nog worden geleverd. Na samenvatting van eerdere rechtspraak inzake effectenleaseproducten beoordeelt Hoge Raad eigen schuld van afnemer. Uitgangspunt is dat vergoedingsplicht van aanbieder dient te worden verminderd door deze over vergoedingsplichtige en benadeelde te verdelen naar maatstaf 1 (particuliere belegger) staat tot 2 (aanbieder). Als bewijs daarvan wordt geleverd, moet Dexia zwaar worden aangerekend dat zij overeenkomst heeft gesloten terwijl zij wist of behoorde te weten dat SpaarSelect, zonder te beschikken over daarvoor benodigde vergunning, afnemer had geadviseerd om bij Dexia effectenleaseproduct te kopen. Gelet op uiteenlopende ernst van gemaakte fouten en overige omstandigheden van geval, waaronder wijze waarop product aan beleggend publiek is aangeboden (dat wil zeggen: mede door tussenkomst en op advies van cliëntenremisier, SpaarSelect, die deze werkzaamheden niet had mogen verrichten zolang zij niet over vergunning beschikte), eist billijkheid in beginsel dat vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft eventuele restschuld als wat door particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als mogelijke financiële gevolgen van leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last voor afnemer vormden.
Zie voor gelijkluidend oordeel ook HR 2.9.2016 ECL:NL:HR:2016:2015.

ECLI:NL:HR:2016:2749

HR 2.12.2016 ECLI:NL:HR:2016:2749

In reeks van arresten heeft Hof Amsterdam zogenoemde ‘hofformule’ ontwikkeld, op basis waarvan wordt bepaald of aangaan van effectenleaseovereenkomst tot onaanvaardbare financiële last heeft geleid voor consument. Is dat geval, dan dient Dexia in principe tweederde deel van restschuld en tweederde deel van rente en aflossing te vergoeden. Hofformule maakt vergelijking tussen besteedbare netto-inkomen en toepasselijke Nibud-basisnorm. Afnemer stelt dat bij toepassing hofformule rekening moet worden gehouden met procentuele premie Ziekenfondswet (Zwf) en woonlasten. Hof ziet geen aanleiding om formule te wijzigen. Hoge Raad overweegt dat feitenrechter grote mate van vrijheid heeft bij beantwoording van vraag of voor betrokken afnemer sprake is (geweest) van onaanvaardbaar zware financiële last. Feitenrechter die gebruik maakt van algemene formule waarin begrip 'besteedbaar netto-maandinkomen' voorkomt, is niet rechtens verplicht om premie Zfw daarop in mindering te brengen. Vanuit oogpunt van consistente rechtspraak verdient aanbeveling dat bij hanteren van hofformule in alle gevallen deze lijn wordt gevolgd.

ECLI:NL:HR:2017:164

HR 3.2.2017 ECLI:NL:HR:2017:164

Particuliere belegger heeft meerdere effectenlease-overeenkomsten gesloten met (rechtsvoorgangers van) Dexia waarbij schade is geleden in vorm van betaalde termijnen en restschuld, maar ook voordeel is genoten. Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over in aanmerking nemen van voordelen uit effectenlease-overeenkomsten in schadebegroting. Hij zet in vijf stappen essentie uiteen hoe voordeelstoerekening (art. 6:100 BW) in dit soort zaken dient plaats te vinden. Toerekening van som van alle voordelen dient in eerste plaats te geschieden op nadeel bestaande in termijnen, in volgorde waarin nadeel is ontstaan, en daarna op eventuele restschuld. Aanspraak op wettelijke rente over gedeelte van termijnen en restschuld dat bij voordeelstoerekening wegvalt tegen voordelen, wordt geacht niet te zijn ontstaan. Indien zowel beroep op voordeelstoerekening als op eigen schuld (art. 6:101 BW) is gedaan, behoort eerst beroep op voordeelstoerekening te worden beoordeeld en daarna beroep op eigen schuld. Daarmee komt Hoge Raad terug van oordeel in HR 29.4.2011 ECLI:NL:HR:2011:BP4012, NJ 2013 nr. 40. Voor effectenlease-overeenkomsten waar bij aangaan ervan sprake was van 'onaanvaardbaar zware financiële last' hebben overwegingen ook betekenis. Voor vraag of bedrag van betalingsverplichting als schade in aanmerking moet worden genomen, is niet relevant of betalingsverplichting is voldaan door middel van betaling, verrekening of anderszins.

lagere rechters

Rechtbank Amsterdam 7.7.2004 NJF 2004 nr. 411

Collectieve actie Stichting Leaseverlies tegen Dexia. Vraag of Dexia aansprakelijk is voor door consumenten vanwege aandelenlease-overeenkomsten geleden schade. Gesteld wordt dat door Dexia uitgegeven advertenties, folders en brochures misleidend waren en dat Dexia heeft nagelaten te waarschuwen voor risico's aandelenleaseproducten. Per mededeling waarvan wordt gesteld dat die onjuist en/of onvolledig is, moet worden vastgesteld of deze misleidend is in zin van art. 6:194 BW. Daarbij moet niet worden uitgegaan van individuele personen die in contractuele verhouding tot Dexia staan uit hoofde van aandelenlease-overeenkomsten, maar moet worden uitgegaan van vermoedelijke verwachting gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument bij kennisneming advertentie. Dat advertentie meer nadruk legt op mogelijkheid dat winst wordt gemaakt dan op mogelijkheid dat verlies wordt geleden en schuld ontstaat, leidt er niet toe dat reclame-uiting onrechtmatig is. Dat consument niet wordt gewezen op beperkte spreiding van te kopen effecten en dat samenstelling effecten niet kan worden gewijzigd, leidt evenmin tot misleidende advertentie. Ook feit dat naam product slechts positieve aspecten product benoemt, is onvoldoende om te oordelen dat naam product in samenhang met inhoud advertentie misleidend is.

Gerechtshof Amsterdam 16.9.2008 JA 2008 nr. 158 met noot Van Boom

Groot aantal gedupeerde deelnemers aan SprintPlan cederen vorderingen op Spaarbeleg aan stichting, die vernietiging vordert van SprintPlan-overeenkomsten. Beroep op dwaling wordt verworpen. Verstrekte informatie maakt voldoende duidelijk dat met geleend geld belegd zou worden. Stichting kan beroep op dwaling van individuele deelnemers niet onderbouwen met verwijzing naar door deelnemers ingevulde vragenlijsten. Ook is geen sprake van misleidende mededelingen. Spaarbeleg heeft wel zorgplicht geschonden nu zij had moeten waarschuwen voor risico restschuld en inlichtingen had moeten inwinnen over financiële positie van individuele deelnemers. Stichting heeft echter onvoldoende gesteld over causaal verband tussen schade individuele deelnemers en schending zorgplicht. Vordering Stichting afgewezen.

Rechtbank Utrecht 24.9.2008 JA 2008 nr. 162

Aanbieder van aandelenleaseovereenkomsten is niet aansprakelijk voor gedragingen van tussenpersoon nu geen sprake was van volmacht. Hij had wel uitdrukkelijk moeten waarschuwen voor risico van restschuld aan eind van looptijd. Aanbieder behoort zich te realiseren dat product beleggers aantrekt die zich van risico's van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of zich die risico's niet kunnen veroorloven. Gelet op combinatie van geldlening en belegging, strekt zorgplicht zich niet slechts uit tot inkomens- en vermogenspositie van deelnemer, maar ook tot diens beleggingsdoelstelling en –ervaring. Aanbieder heeft zorgplicht verzaakt, maar deelnemer heeft 30% eigen schuld.

Gerechtshof Amsterdam 30.9.2008 NJ 2011 nr. 65

Bijzondere zorgplicht van vermogensbeheerder bij vermogensbeheer volgens 'Premselaar-methode' brengt mee dat hij particuliere cliënt uitdrukkelijk en in niet mis te verstane bewoordingen dient te waarschuwen voor bijzondere risico's van deze methode die groter zijn dan risico's in algemeen verbonden aan beleggen in effecten. Vermogensbeheerder heeft noch voor aangaan van beheerovereenkomst noch toen bestendigheid van belegde eigen vermogen in gedrang kwam gewaarschuwd. Hij moet (door resultaatsvergelijking vast te stellen) schade vergoeden die cliënt door dit tekortschieten heeft geleden. Vanwege eerdere beleggingservaring en voorkeur voor Premselaar-methode mocht van cliënt redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich zelfstandig in risico's van die methode verdiepte. Dit nalaten levert 40% eigen schuld op. Cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO verworpen in HR 17.12.2010 RvdW 2011 nr. 14.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14.10.2008 NJF 2009 nr. 65

Cliënt die via tussenpersoon aandelenlease-overeenkomsten met Dexia heeft gesloten, heeft restschuld. Wet op het consumentenkrediet is niet van toepassing op overeenkomsten. Dexia is niet ex art. 6:76 BW aansprakelijk voor gedragingen van tussenpersoon, nu zij bij uitvoering van verbintenissen uit tussen Dexia en cliënt gesloten overeenkomsten geen gebruik heeft gemaakt van hulp tussenpersoon. Deze is slechts in fase voorafgaande aan en bij totstandkoming van overeenkomsten betrokken geweest. Tekortschietende voorlichting door tussenpersoon is eigen tekortschieten van Dexia in informatieplicht. Schending van zorgplicht in precontractuele fase is onrechtmatig. Dexia moet schade als gevolg van schending zorgplicht vergoeden. Vergoedingsplicht ex art. 6:101 BW verminderd; Dexia moet 75% van restschuld dragen.