English

Jurisprudentie

Trial within a trial

HR 24.10.1997 NJ 1998 nr. 257 met noot Stein

Aansprakelijkheid advocaat in verband met gemiste kans door niet instellen hoger beroep. Afwegen van goede en kwade kansen.

HR 19.1.2007 NJ 2007 nr. 63

Schadevergoedingsvordering cliënt op advocaat die verjaringstermijn ongebruikt laat verstrijken. Oordeel Rechtbank dat vraag of advocaat beroepsfout kan worden verweten geen bespreking behoeft indien blijkt dat slagingskans zaak (vrijwel) nihil was, is juist omdat alsdan causaal verband ontbreekt. Redenering Hof dat niet met voldoende zekerheid kan worden gezegd dat zaak kansrijk was, is onjuist. Hof had goede en kwade kansen die cliënt in zaak zou hebben gehad, moeten afwegen.

HR 11.12.2009 NJ 2010 nr. 3

Advocaat schiet tekort door niet tijdig Waarborgfonds Motorverkeer aan te spreken. Voor antwoord op vraag of cliënt hierdoor schade heeft geleden moeten goede en kwade kansen worden afgewogen (vgl. HR 24.10.1997 NJ 1998 nr. 257). Bij tijdig ingestelde vordering zou door Waarborgfonds verrichte onderzoek naar rol van onbekend gebleven spookrijder bij ongeval tot resultaat hebben gehad dat aanwezigheid van spookrijder niet aannemelijk is gemaakt. Vordering zou geen kans van slagen hebben gehad en dus kon Hof vordering van cliënt afwijzen.

LJN BX0737

HR 9.11.2012 LJN BX0737, RvdW 2012 nr. 1403, JA 2013 nr. 1 met noot Delhaas

Vennoot die vennootschap onder firma heeft opgezegd vordert van overige vennoten uitkering van waarde van zijn aandeel in v.o.f. (eerste procedure). Advocaat van overige vennoten laat na verweer te voeren dat één van vennoten ten tijde van opzegging geen vennoot meer was. Deze vennoot vordert van advocaat vergoeding van schade door diens beroepsfout (tweede procedure). Vennoot dient aannemelijk te maken dat verweer in eerste procedure zou zijn gehonoreerd. Hof heeft daaraan onterecht gevolgtrekking verbonden dat vennoot moet bewijzen dat hij v.o.f. niet heeft voortgezet. Zodanig toegespitste bewijsopdracht met daaraan verbonden bewijsrisico brengt vennoot in lastiger bewijspositie dan gerechtvaardigd is, nu die eraan voorbijgaat dat opzeggende vennoot, als beroepsfout niet was gemaakt, in eerste procedure zou hebben moeten bewijzen dat vennoot v.o.f. had voortgezet en dus op dat punt bewijsrisico zou hebben gedragen. Verder dienen aan bewijslevering in tweede procedure andere eisen te worden gesteld dan eisen die daarvoor zouden hebben gegolden in eerste procedure. Hoge Raad doet zaak zelf af en geeft passende bewijsopdracht.

ECLI:NL:HR:2017:312

HR 24.2.2017 ECLI:NL:HR:2017:312

Advocaat maakt beroepsfout door te laat hoger beroep in te stellen en (beweerdelijk) suboptimaal verweer te voeren. Hof overweegt dat conditio sine qua non-verband tussen tardief appelleren en verlies van kans op succes in hoger beroep vaststaat. Voor vaststellen van schade moet Hof beoordelen hoe Hof in onderliggende zaak beslist zou hebben indien op tijd hoger beroep was ingesteld en optimaal verweer was gevoerd. Voor vaststellen van schade aan hand van schatting van goede en kwade kansen bestaat slechts ruimte indien het gaat om reële (dat wil zeggen niet zeer kleine) kans op succes (vgl. HR 21.12.2012 ECLI:NL:HR:2012:BX7491). Hof concludeert dat er geen reële kans was dat cliënt vordering in hoger beroep met succes had kunnen betwisten en wijst vorderingen af. Hoge Raad doet zaak af op art. 81 lid 1 RO. A-G gaat in op kansschadeleer bij beroepsaansprakelijkheid.

ECLI:NL:HR:2018:981

HR 22.6.2018 ECLI:NL:HR:2018:981

Duwbak kapseist in sluis, waardoor sleepboot en andere duwcombinatie ook kapseizen. Rechtbank en Hof oordelen dat ongeval te wijten is aan bewust roekeloos handelen van eigenaar duwbak en dat hij zijn aansprakelijkheid niet mag beperken. Cassatieberoep wordt te laat ingesteld, waarna duwbakeigenaar schadevergoeding van advocaten vordert. Volgens Rechtbank en Hof zou procedure in cassatie en na verwijzing succes hebben gehad. Voor antwoord op vraag of cliënt door beroepsfout schade heeft geleden, moet in beginsel worden beoordeeld hoe op vordering of rechtsmiddel had behoren te worden beslist, althans moet toewijsbare bedrag worden geschat aan hand van goede en kwade kansen. Rechter dient daarbij uit te gaan van stand van rechtsontwikkeling op moment waarop - beroepsfout weggedacht - over vordering of rechtsmiddel zou zijn geoordeeld. Geen andere maatstaf geldt indien sprake is van te laat ingesteld cassatieberoep. Het gaat dan erom of dit beroep tot vernietiging zou hebben geleid en, zo ja, hoe na verwijzing over zaak zou zijn geoordeeld (vgl. HR 23.2.2001 ECLI:NL:HR:2001:AB0199, NJ 2001 nr. 431). Oordeel Hof over roekeloosheidscriterium is juist. Op grond van devolutieve werking had Hof echter aangevoerde alternatieve grondslagen voor onbeperkte aansprakelijkheid in beoordeling moeten betrekken binnen door grieven ontsloten gebied. Volgt vernietiging.

lagere rechters

Gerechtshof Arnhem 13.8.2002 NJ Kort 2002 nr. 66

Beroeps-aansprakelijkheid advocaat die weliswaar geen uitdrukkelijke opdracht had gekregen om na bestuursrechtelijke weg ook civielrechtelijke procedure te entameren, maar uit wel aan advocaat verleende opdracht vloeit voort dat hij zijn cliënt tijdig had moeten attenderen op gevaar van verjaring van diens vordering op gemeente. Causaal verband met gestelde schade aanwezig na vergelijking met procedure van buurman van cliënt tegen gemeente, waaruit aannemelijk wordt dat procedure van cliënt ook zou zijn geslaagd. Vervolg op HR 20.4.2001 NJ 2002 nr. 384 met noot Snijders.

Rechtbank Rotterdam 10.12.2008 NJF 2009 nr. 194

Advocaat maakt beroepsfout door hoger beroep niet tijdig aan te brengen. Bij beantwoording van vraag of hierdoor schade is ontstaan, geldt maatstaf van HR 24.10.1997 NJ 1998 nr. 257 met noot Stein. Deze betekent dat Rechtbank eerst moet vaststellen wat Hof zou hebben geoordeeld. Pas als dat niet (met voldoende zekerheid) mogelijk blijkt terwijl slagingskans van appel niet verwaarloosbaar is, dient die kans te worden geschat. Deze schatting kan leiden tot proportionele aansprakelijkheid.

Gerechtshof 's-Gravenhage 16.3.2010 NJ 2012 nr. 122

Advocaat maakt beroepsfout door in huurzaak geen hoger beroep in te stellen. Voor antwoord op vraag of cliënt hierdoor schade heeft geleden moet worden beoordeeld hoe appelrechter zou hebben beslist, althans moet toewijsbare bedrag worden geschat aan hand van goede en kwade kansen van cliënt in hoger beroep. Nu verhuurde ruimte niet kan worden aangemerkt als bedrijfsruimte, zou eventueel hoger beroep geen kans van slagen hebben gehad. Cliënt heeft dus geen schade geleden door beroepsfout. Cassatieberoep op grond van art. 81 RO verworpen in HR 23.12.2011 RvdW 2012 nr. 40.