English

Jurisprudentie

Adviseur

HR 2.2.2001 NJ 2002 nr. 379 met noot Snijders

Gerechtigde tot optie is in beginsel zelf verantwoordelijk voor tijdig inroepen daarvan. Geen verplichting belastingadviseur om cliënt te wijzen op bestaan van optierecht, tenzij dergelijke verplichting in verband met omstandigheden van geval voortvloeit uit enige rechtsverhouding tussen partijen of uit zorgvuldigheid die belastingadviseur in maatschappelijk verkeer jegens cliënt in acht moest nemen. Geen opdracht tot vorm van dienstverlening die mede inhield dat belastingadviseur zich op hoogte moest stellen van financiële belangen cliënt en hem daarover ook ongevraagd moest adviseren. Belastingadviseur heeft zich louter onzorgvuldig gedragen, indien hij zich ervan bewust was dat cliënt zijn optierecht over hoofd zag en desondanks heeft nagelaten hem op bestaan optierecht te wijzen.

HR 7.4.2006 NJ 2006 nr. 245

Door wijziging in vennootschapsbelasting dient internationaal concern aanzienlijk meer belasting te betalen. Gelet op bestaande relatie had belastingadviseur geen spontane adviesplicht terzake van die wijziging. Hof heeft oordeel onvoldoende gemotiveerd dat adviseur wel is tekortgeschoten door bij beantwoording specifieke vragen niet te wijzen op mogelijke wijziging vennootschapsbelasting en gevolgen daarvan. Die specifieke vragen werden namelijk gesteld om latente belastingdruk over jaar vóór wijziging vast te stellen. Zie voor vervolg Gerechtshof 's-Gravenhage 24.4.2008 NJF 2008 nr. 246; belastingadviseur is niet aansprakelijk.

HR 30.5.2008 NJ 2010 nr. 622 met noot Vranken, JA 2008 nr. 133, RAV 2008 nr. 77

Beleggers in niet levensvatbaar gebleken project vorderen schadevergoeding van financieel adviseur van project. Bij antwoord op vraag of brochure (die door adviseur opgestelde financiële prognose van project bevatte) misleidend is ex art. 6:194 BW dient als uitgangspunt vermoedelijke verwachting van gemiddeld, geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument tot wie brochure zich richt of die zij bereikt. Ervaring in zakenwereld is bij deze beoordeling irrelevant, nu brochure zich niet uitsluitend tot ervaren zakenmensen richtte. Eigen schuld vanwege nalaten zich deugdelijk te informeren kan niet alleen worden aangenomen bij professionele beleggers, maar ook bij ervaren zakenmensen. Financieel adviseur is ook, zonder te beschikken over ex art. 7 Wte 95 vereiste vergunning, als effectenbemiddelaar opgetreden. Dit verbod beoogt bescherming te bieden aan ieder die door aangaan transacties beleggersbelang bij effecten krijgt.

HR 5.6.2009 NJ 2009 nr. 256, RAV 2009 nr. 80

Belastingadviseur mag zich beperken tot geven van advies waarin in specifieke geval in aanmerking komende fiscale mogelijkheden zijn omschreven. Hij behoeft niet te wijzen op fiscale faciliteiten die in theorie van toepassing zouden kunnen zijn, maar waarvan redelijkerwijs valt uit te sluiten dat zij in gegeven omstandigheden voor toepassing in aanmerking komen. Zie voor vervolg Gerechtshof Amsterdam 6.9.2011 NJ 2012 nr. 13; belastingadviseur heeft gelet op opdracht en wens van opdrachtgever beroepsfout gemaakt door niet over mogelijkheid van zogenaamde ruilarresten te adviseren en wordt veroordeeld tot 60% van schade. Oordeel houdt stand in HR 21.12.2012 LJN BX7491, RvdW 2013 nr. 85, JA 2013 nr. 41 met noot Van Dijk en Akkermans.

HR 12.11.2010 RvdW 2010 nr. 1357, RAV 2011 nr. 13

Sinds 1985 in buitenland werkzame tandarts stelt fiscaal voordeel te hebben misgelopen doordat fiscaal adviseur hem niet tijdig op bestaan van zogenaamde 35%-regeling heeft gewezen. Bij beoordeling of tandarts hierdoor schade heeft geleden – wat geval is als Belastingdienst zonder gestelde beroepsfout verzoek tot toepassing van regeling zou hebben ingewilligd – is Hof terecht uitgegaan van voor toepassing van regeling relevante feiten over eerdere verblijf van tandarts in Nederland. Tandarts voldeed niet aan verblijfseis, zodat regeling niet voor hem gold. Vordering terecht afgewezen.

LJN BW9239

HR 5.10.2012 LJN BW9239, NJ 2013 nr. 140 met noot Van Schilfgaarde en Verstappen, JA 2012 nr. 205

Particulieren hebben aan financial trader rentedragende leningen verstrekt, die zijn aangegaan als beleggingen. Consultant heeft voor trader brochure gepubliceerd. Aantal stortingen en alle rentebetalingen liepen via bankrekening van consultant. Trader gaat failliet en blijkt geleende gelden niet te hebben belegd. Particulieren spreken consultant aan tot schadevergoeding wegens schending van art. 7 lid 1 en art. 3 lid 1 Wet toezicht effectenverkeer 1995 en op hem rustende zorgplicht. Consultant heeft art. 3 lid 1 Wte 1995 overtreden en onrechtmatig gehandeld jegens particulieren die brochure hebben ontvangen. Dat andere particulieren hebben besloten geld uit te lenen op grond van door consultant aan derde verstrekte informatie, sluit niet uit dat consultant jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door schending van art. 7 lid 1 Wte 1995 of zorgplicht. Daarvoor zijn mede overige omstandigheden van belang. Aan begrip effectenbemiddeling wordt ruime uitleg gegeven. Hoewel louter adviseren geen effectenbemiddeling is, omvat het wel onder meer ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot effecten voor rekening van beleggers, uitvoeren van dergelijke orders, aanbrengen van cliënten, alsmede aanbieden van effecten zonder dat daadwerkelijk transactie tot stand komt. Art. 7 lid 1 Wte 1995 heeft ruime strekking (vgl. HR 30.5.2008 NJ 2010 nr. 622). Oordeel Hof dat consultant niet als effectenbemiddelaar is opgetreden, is onjuist.

LJN BY6759

HR 22.3.2013 LJN BY6759, NJ 2013 nr. 188

Vrouw spreekt met adviseur, die eerder vanuit zijn kantoor voor haar heeft bemiddeld in financiële kwesties, over ontvangen geldbedrag. Zij leent bedrag aan onderneming die door adviseur wordt vertegenwoordigd. Onderneming failleert. Op adviseur rustte zorgplicht vrouw duidelijk te wijzen op risico's die aan geldlening aan onderneming waren verbonden, dan wel haar naar andere adviseur te verwijzen. Deze zorgplicht bestond ook nog als voor vrouw uit gang van zaken tijdens gesprek duidelijk was geworden dat adviseur voor onderneming optrad. Nu adviseur was benaderd vanwege tot dan toe bestaande adviesrelatie en vertrouwen van vrouw in hem als deskundig persoon, bracht in maatschappelijk verkeer vereiste zorgvuldigheid mee dat hij, ook al was geen sprake van contractuele adviesrelatie met betrekking tot deze aangelegenheid, zich belangen van vrouw zou aantrekken.

ECLI:NL:HR:2013:CA1725

HR 6.9.2013 ECLI:NL:HR:2013:CA1725, RvdW 2013 nr. 1035

Cliënten hebben financieel adviseur benaderd omdat zij hypothecaire lening wilden oversluiten om maandlasten te verlagen. Zij is jegens cliënten tekortgeschoten in bijzondere zorgplicht door zeer risicovolle constructie van twee effectenleaseovereenkomsten met beleggingsdepot te adviseren. In HR 5.6.2009 NJ 2012 nr. 182 (Dexia) gegeven vuistregel voor verdeling van schade is hier niet van toepassing. Adviesrelatie verschilt wezenlijk van standaard effectenlease-relatie waarop arrest Dexia ziet. Indien financieel dienstverlener wordt benaderd voor op specifieke situatie van cliënt toegesneden advies rust op haar bijzondere zorgplicht. Die zorgplicht behelst onder meer dat zij naar behoren onderzoek doet naar financiële mogelijkheden, deskundigheid en doelstellingen van cliënt en dat zij hem dient te waarschuwen voor eventuele risico's die aan voorgenomen of toegepaste beleggingsvorm zijn verbonden, als ook voor feit dat door hem beoogde of toegepaste constructie niet past bij zijn financiële mogelijkheden of doelstellingen, zijn risicobereidheid of zijn deskundigheid. Gelet op verschil in deskundigheid mag cliënt in beginsel ervan uitgaan dat dienstverlener die zorgplicht jegens hem naleeft (vgl. HR 8.2.2013 LJN BY4600). Hieruit volgt dat cliënt bij door die dienstverlener geadviseerde constructie minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging behoeft te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot aanbieder van effectenlease-product. Dit is ook van belang bij causaliteitsafweging ex art. 6:101 BW. Hof is ten onrechte uitgegaan van 40% eigen schuld.

ECLI:NL:HR:2014:2626

HR 5.9.2014 ECLI:NL:HR:2014:2626, RvdW 2014 nr. 1017

Financieel adviseur is bij advisering over "self-liquidating loan" en in verband daarmee verschafte zekerheden in zorgplicht tekortgeschoten. Hij begreep zelf deel van financieringsconstructie niet en heeft niet gewaarschuwd dat risico's werden genomen door financieringsconstructie te aanvaarden zonder nadere informatie over onbegrijpelijk gedeelte daarvan. Ook heeft adviseur te rooskleurig beeld geschetst van ter waarborging van nakoming van constructie gestelde zekerheden. Zijn tekortschieten is zodanig ernstig dat het moet worden aangemerkt als aan opzet gelijk te stellen grove onzorgvuldigheid. Financieel adviseur kan derhalve geen beroep doen op in algemene voorwaarden opgenomen exoneratiebeding en is aansprakelijk. HR doet zaak af op art. 81 lid 1 RO. A-G behandelt norm van goed opdrachtnemer en bewuste roekeloosheid.

ECLI:NL:HR:2019:418

HR 22.3.2019 ECLI:NL:HR:2019:418

 Belastingadviseur adviseert in België wonend echtpaar over aankoop van bedrijfspand en overdracht van vermogen uit hun onderneming, waarna echtpaar aandelen met voorbehoud van vruchtgebruik aan kinderen schenkt. Deze optie blijkt (ongunstige) gevolgen te hebben voor belastbaarheid in kader van inkomstenbelasting van door echtpaar aan onderneming ter beschikking gestelde bedrijfspanden. Echtpaar verwijt belastingadviseur tekortgeschoten te zijn in zorgplicht door onjuiste advisering. Gelet op doel om enerzijds successierechten te besparen en anderzijds zoveel mogelijk zeggenschap over en inkomsten uit bedrijfsactiviteiten te behouden acht Hof gegeven advies niet onjuist. Belastingadviseur hoefde bedrijfspand niet in advisering te betrekken en hoefde over fiscale status daarvan en fiscale gevolgen van voorbehoud bij schenking ook niet spontaan te adviseren. Echtpaar stelt dat advies was om bedrijfspand in privé te kopen en na schenking in box 3 zou worden belast. Hof kon deze stelling niet als onvoldoende onderbouwd verwerpen en had niet aan bewijsaanbod mogen voorbijgaan. Oordeel Hof over ontbreken van spontane adviesplicht over fiscale gevolgen van voorbehoud bij schenking houdt wel stand. Volgt vernietiging.

lagere rechters

Rechtbank Arnhem 16.4.2008 JA 2008 nr. 91

Particulieren sluiten via financieel dienstverlener hypothecaire geldlening en levensverzekering af en kopen beleggingscertificaten bij tussenpersoon. Doordat tussenpersoon failliet gaat, lijden particulieren schade, waarvoor zij financieel dienstverlener aanspreken. Deze heeft niet zorg van goed opdrachtnemer in acht genomen door positief te adviseren over producten waarmee hij onvoldoende bekend was, wetende dat zijn klanten hun besluitvorming uitsluitend op zijn informatie baseerden en door als cliëntenremisier te handelen zonder inschrijving bij AFM, wat in strijd is met art. 7 Wte. Financieel dienstverlener is aansprakelijk.

Rechtbank Utrecht 11.6.2008 NJF 2008 nr. 366

Belastingadviseur heeft in strijd gehandeld met hetgeen van redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht door in kader van opdracht tot fiscale advisering royaltystructuur op te starten zonder eerst haalbaarheid structuur te onderzoeken en dienaangaande zogenaamde 'ruling' met belastingdienst te treffen. In hoeverre constructie al dan niet gebruikelijk of haalbaar was, is voor beoordeling van tekortkoming niet doorslaggevend.

Rechtbank Utrecht 24.9.2008 JA 2008 nr. 162

Aandelenlease. Tussenpersoon die deelnemer niet enkel heeft aangebracht bij effecteninstelling doch tevens actief heeft geadviseerd over beleggen in bepaalde financiële producten in verband met door deelnemer af te sluiten krediet, is aan te merken als financieel adviseur. Door deelnemer niet op risico's te wijzen en niet na te gaan in hoeverre deelnemer risico wilde lopen en eventueel restschuld kon betalen, heeft tussenpersoon niet gehandeld als redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur. Vanwege eigen schuld deelnemer, is tussenpersoon voor 80% aansprakelijk.

Gerechtshof Amsterdam 10.11.2009 NJ 2011 nr. 564

Investeringsfonds stelt belastingadviseur aansprakelijk vanwege niet waarschuwen voor risico dat sprake zou kunnen zijn van met omzetbelasting belaste levering van kantoorpand. Niet valt te concluderen dat adviseur onvoldoende rekening heeft gehouden met voor bekwaam belastingadviseur kenbaar risico. Daartoe is onvoldoende dat theoretisch risico bestaat dat belastingdienst bepaald standpunt zou kunnen innemen, terwijl dat niet is ingenomen en evenmin bekend is dat belastingdienst dat in andere gevallen wel heeft gedaan. Belastingadviseur is niet tekortgeschoten jegens investeringsfonds. Cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO verworpen in HR 9.9.2011 RvdW 2011 nr. 1069.