English

Jurisprudentie

Algemeen

HR 17.11.2000 NJ 2001 nr. 580 met noot Hijma

Rechtsvordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde geldsommen verjaart door verloop van vijf jaar. Naar oud recht (Wet van 31 oktober 1924, Stb 482) begon verjaring te lopen op eerste dag na jaar waarin geldsommen opvorderbaar waren geworden. Naar nieuw recht vangt tijdstip verjaring aan op moment waarop schuldeiser bekend is geworden met bestaan vordering en met persoon ontvanger. Op grond van overgangsrecht (art. 73 Ow) is nieuwe verjaringswetgeving eerst op 1 januari 1993 in werking getreden.

HR 1.4.2005 NJ 2006 nr. 377 met noten Van Wijmen en Snijders, VR 2007 nr. 36

Op regresvordering Ziekenfonds is verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW van toepassing, nu in verband met in art. 83b lid 1 Zfw neergelegde civiele plafond uitoefening van verhaalsrecht niet ertoe mag leiden dat aansprakelijke persoon, zo hij door Ziekenfonds wordt aangesproken, in slechtere positie komt te verkeren dan waarin hij zou hebben verkeerd indien hij door getroffene zelf tot schadevergoeding zou zijn aangesproken, hetgeen niet alleen geldt voor hoogte vordering, maar ook voor lengte verjaringstermijn, die bij gebreke van toepasselijkheid art. 3:310 lid 1 BW op grond van art. 3:306 BW 20 jaren zou belopen (HR 31.5.2002 NJ 2004 nr. 161 met noot Hijma (Bijlsma/ABP)). Uit art. 3:310 lid 1 BW vloeit voort dat als uitgangspunt heeft te gelden dat verjaring rechtsvordering aanvangt met ingang van dag volgende op die waarop Ziekenfonds zowel met schade als met aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dit neemt niet weg dat aansprakelijke persoon zich jegens Ziekenfonds erop kan beroepen dat het niet een rechtsvordering kan instellen die reeds zou zijn verjaard, zo deze niet door Ziekenfonds maar door getroffene zelf zou zijn ingesteld.

HR 21.4.2006 NJ 2006 nr. 272

Gemeente verkoopt grond aan derde onder toezegging dat grond schoon is. Dit blijkt achteraf niet het geval. Derde spreekt gemeente aan op grond van zowel toerekenbare tekortkoming als onrechtmatige daad. Omdat beide grondslagen feitelijk zijn gebaseerd op non-conformiteit, is (louter) verjaringstermijn van twee jaar ex art. 7:23 lid 2 BW van toepassing. Verjaringstermijn is zonder tijdige en rechtsgeldige stuiting verstreken, zodat vordering wordt afgewezen.

HR 26.1.2007 NJ 2007 nr. 77

Op verhaalsvorderingen UWV en ABP op veroorzaker aanrijding is art. 3:310 lid 1 BW van toepassing, zodat verjaringstermijn in beginsel aanvangt met ingang van dag volgende op die waarop UWV en ABP zowel met schade als met aansprakelijke persoon bekend zijn geworden. Op grond van civiel plafond ex art. 90 WAO en art. 3 VOA geldt voor dergelijk zelfstandig, op wet gebaseerd verhaalsrecht evenwel dezelfde beperking als voor verhaalsrecht dat krachtens subrogatie wordt uitgeoefend (zie HR 1.4.2005 NJ 2006 nr. 377 met noten Van Wijmen en Snijders). Aansprakelijke persoon kan niet door middel van verhaal gehouden zijn schade te vergoeden die als gevolg van verjaring niet meer door benadeelde zelf van hem gevorderd kan worden. Dit wordt niet anders als vorderingen van UWV en ABP verloren zijn gegaan nog voordat UWV en ABP van bestaan daarvan op hoogte raakten.

HR 15.6.2007 NJ 2007 nr. 621 met noot Haak, S&S 2007 nr. 95, JA 2007 nr. 125

Bij baggerwerkzaamheden wordt gasleiding door kraan aan boord van schip geraakt en beschadigd. Eigenaar gasleiding spreekt reder schip ex art. 6:162 BW aan tot schadevergoeding. Reder beroept zich op korte verjaringstermijn van art. 8:1793 BW (aanvaringsregime). Voor wat betreft verjaring is wettelijke regeling inzake aanvaring exclusief van toepassing. Indien eiser korte verjaringstermijn, die strekt ter bescherming van aansprakelijk gestelde persoon, zou kunnen ontgaan door vordering te baseren op onrechtmatige daad, zou dat leiden tot onaanvaardbare doorkruising van korte verjaringstermijn.

HR 8.1.2010 RvdW 2010 nr. 126

Na ontbinding van huwelijk in gemeenschap van goederen is vrouw ex art. 1:102 BW hoofdelijk aansprakelijk geworden voor helft van schuld man aan UWV. Op deze hoofdelijkheid is afdeling 6.1.2 BW van toepassing. Vorderingsrechten van schuldeiser jegens hoofdelijke schuldenaren zijn zelfstandig, tenzij uit wet tegendeel voortvloeit. Verjaring van vorderingsrecht jegens ene hoofdelijke schuldenaar brengt niet verjaring van vorderingsrecht jegens andere hoofdelijke schuldenaar mee. Verjaring van vorderingsrecht jegens vrouw (ex art. 3:309 BW) is aangevangen op datum van ontbinding huwelijk.

HR 15.4.2011 RvdW 2011 nr. 528

Koper van melkwinningssysteem ontbindt na terugkerende storingen koopovereenkomst en vordert schadevergoeding van verkoper. Vordering is niet verjaard, ook niet voor zover deze gebaseerd is op klachten die meer dan twee jaar voor instellen van vordering ter kennis van verkoper zijn gebracht. Nu na iedere poging tot herstel bleek dat systeem nog niet naar behoren werkte, is er telkens nadat verkoper daarvan tijdig in kennis was gesteld ingevolge art. 7:23 lid 2 BW ook nieuwe verjaringstermijn van twee jaar gaan lopen.

HR 29.6.2012 NJ 2013 nr. 508

Met ratio van korte verjaringstermijn (zes maanden) van art. 611g lid 1 Rv is niet in overeenstemming dat indien tegen veroordeling waarbij dwangsom is opgelegd, rechtsmiddel is ingesteld, verjaring van verbeurde dwangsommen niet zou gaan lopen zolang niet op rechtsmiddel is beslist. Verjaring vangt aan op moment dat dwangsommen worden verbeurd door niet-naleving van veroordeling. Art. 3:324 lid 2 BW (dat verjaring van bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraak verlengt als rechtsmiddel wordt aangewend) is niet van toepassing.

LJN BY1071

HR 25.1.2013 LJN BY1071, NJ 2013 nr. 69, JA 2013 nr. 47 met noot Franke, RAV 2013 nr. 40

Na ontstaan van schimmelvorming in 1998 stelt gerberateler leverancier van ondeugdelijke ontsmettingsunit met succes aansprakelijk. In schadestaatprocedure vordert teler ook schade door tekortkoming aan unit in periode 1995-1998. In deze procedure kunnen slechts die schadeposten aan orde komen die zijn veroorzaakt door in bodemprocedure vastgestelde tekortkoming. Daarbij is blijkens art. 615 Rv onverschillig of schadeposten reeds in hoofdprocedure waren gesteld, zodat (behoudens in bepaling vermelde uitzondering) ook nieuwe posten in schadestaat opgenomen kunnen worden. In licht van partijdebat en rechterlijke uitspraken in hoofdprocedure is door Hof gemaakte onderscheid tussen tekortkomingen in 1995 en 1998 onbegrijpelijk. Gestelde schade over jaren 1995-1998 vloeit voort uit dezelfde tekortkoming als schade van 1998. Dit betekent dat instellen van hoofdprocedure verjaring van vordering ook heeft gestuit voor zover het schade over jaren 1995-1998 betreft. Deze vordering is dus niet verjaard.

LJN BZ3749

HR 14.6.2013 LJN BZ3749, RvdW 2013 nr. 787

Spaarbeleggingsproduct KoersPlan vertoont leemte met betrekking tot hoogte van overlijdensrisicopremie. Hof stelt op grond van art. 6:248 lid 1 BW lagere redelijke premie vast. Aanbieder van KoersPlanovereenkomsten doet tevergeefs beroep op verjaring. Vorderingen van deelnemers zijn gericht op verklaringen voor recht over wijze waarop leemte in overeenkomsten moet worden opgevuld en hebben geen betrekking op vorderingen tot nakoming van "verbintenis uit overeenkomst tot geven of doen" in zin van art. 3:307 BW. Van verjaring ex art. 3:307 BW is geen sprake. Voor zover vorderingen gericht zijn op veroordeling tot nakoming, zien zij klaarblijkelijk op doen van verschuldigde uitkeringen aan einde van looptijd overeenkomsten, welke uitkeringen dan pas opeisbaar worden. In feitelijke instanties is niet aangevoerd dat, daarvan uitgaande, sprake is van verjaring. Cassatieberoep verworpen.

ECLI:NL:HR:2013:2064

HR 20.12.2013 ECLI:NL:HR:2013:2064

Bank dagvaardt in juni 2004 ex-cliënten voor openstaande schuld uit krediet dat in september 1993 is opgezegd. Hof heeft onderzoek ten onrechte beperkt tot stuitingsbrief uit 1995, want beroep op verjaring hield verweer in dat vordering was verjaard op tijdstip van uitbrengen inleidende dagvaarding. Op bank als schuldeiser rusten dan stelplicht en bewijslast dat geen sprake is van voltooide verjaring. Zij dient daartoe zo nodig aan te tonen dat ook stuiting heeft plaatsgevonden gedurende looptijd van nieuwe verjaringstermijnen die ex art. 3:319 lid 1 BW na één of meer stuitingshandelingen zijn aangevangen. Nu uit stukken van geding blijkt dat bank na 1995 aan cliënten schriftelijke aanmaningen of mededelingen als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW heeft doen toekomen, kan klacht niet tot cassatie leiden. Vordering is niet verjaard.

ECLI:NL:HR:2014:397

HR 21.2.2014 ECLI:NL:HR:2014:397

Op door Ontvanger ingestelde vordering tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige daad – tegen belastingschuldige of tegen derde – gelden verjaringsregels van art. 3:306 e.v. BW. Ook als recht op dwanginvordering van belastingschulden in loop van geding is verjaard, kan Ontvanger bevoegdheid tot verhaal van schade uitoefenen totdat rechtsvordering volgens art. 3:310 BW is verjaard.

ECLI:NL:HR:2014:1628

HR 11.7.2014 ECLI:NL:HR:2014:1628, NJ 2014 nr. 370

Deelneemster aan door anderen georganiseerde bedrijvencompetitie Skûtsjesilen stelt onder meer schipper aansprakelijk voor schade als gevolg van haar overkomen ongeval op schip. Vordering jegens verweerder als schipper is ex art. 8:1780 BW verjaard. Vordering jegens schipper als vervoerder ex art. 8:974 BW kent langere verjaringstermijn. Voor toepasselijkheid van art. 8:974 BW is niet vereist dat reiziger die schadevergoeding vordert, zelf met vervoerder heeft gecontracteerd. Verjaring van op overeenkomst van (personen)vervoer gebaseerde vordering is geregeld in art. 8:1751 BW. Tweejaarstermijn van art. 8:1780 BW is daarop niet van toepassing, nu zodanige vordering niet tegen schipper in diens hoedanigheid wordt ingesteld.

ECLI:NL:HR:2014:3350

HR 21.11.2014 ECLI:NL:HR:2014:3350, RvdW 2014 nr. 1311

Onderaannemer brengt vanaf drijvend ponton beschoeiingspalen aan en beschadigt daarbij ondergrondse hoogspanningskabel. Kabelbeheerder vordert ex art. 6:162 BW schadevergoeding van hoofdaannemer, die zich op verjaring van art. 8:1793 BW (schadevaring) beroept. Hof honoreert dit verjaringsverweer ten onrechte. Vordering van kabelbeheerder tegen hoofdaannemer stoelt op verwijten van andere aard dan die welke verband houden met gebruik van schepen, namelijk schending zorgplicht. Aanwezigheid van ponton speelt geen rol in schadeveroorzaking die aan vordering ten grondslag is gelegd. Van samenloop van vorderingen tegen dezelfde persoon als bedoeld in HR 15.6.2007 NJ 2007 nr. 621 is geen sprake. Voor door kabelbeheerder jegens hoofdaannemer ingestelde vordering geldt niet kortere verjaringstermijn van art. 8:1793 BW. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2015:1866

HR 10.7.2015 ECLI:NL:HR:2015:1866, RvdW 2015 nr. 921

Rechtsvordering tot vernietiging van effectenlease-overeenkomst, zulks op grond van ontbreken van toestemming andere echtgenoot, verjaart drie jaar na tijdstip waarop echtgenoot daadwerkelijk met overeenkomst bekend is geworden (art. 3:52 lid 1 aanhef sub d BW). Van daadwerkelijke bekendheid is niet pas sprake zodra echtgenoot wist of begreep dat zij bevoegd was overeenkomst te vernietigen. Voor aanvang van deze verjaringstermijn is bepalend welke feiten en omstandigheden bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met juridische beoordeling daarvan. Gelet op vastgestelde en aangevoerde feiten had Hof ambtshalve moeten toetsen of beding over restschuld bij tussentijdse beëindiging oneerlijk is in zin van richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

ECLI:NL:HR:2015:2194

HR 14.8.2015 ECLI:NL:HR:2015:2194, RvdW 2015 nr. 937

Man en vrouw hebben samengewoond in op twee percelen gelegen woning van man. Zij hebben afgesproken eigendom daarvan aan vrouw over te dragen en in 2001 heeft zij ene perceel in eigendom verkregen. Na beëindiging van relatie vordert vrouw in 2010 dat man wordt verplicht mee te werken aan levering van andere perceel. Verondersteld wordt dat overeenkomst betrekking had op beide percelen. Uit overeenkomst is één verbintenis tot levering (van beide percelen) voortgevloeid. Met overdracht in 2001 van ene perceel is verbintenis gedeeltelijk nagekomen, zodat verjaring van rechtsvordering tot nakoming van verbintenis tot overdracht van andere perceel wordt beheerst door art. 3:311 lid 1 BW en niet door art. 3:307 lid 1 BW (dat ander aanvangstijdstip van verjaringstermijn heeft). Art. 3:311 lid 1 BW is voorschrift dat voor (onder meer) vordering tot herstel van tekortkoming in nakoming van verbintenis uit overeenkomst bijzondere (verjarings)regeling inhoudt ten opzichte van algemene regeling van art. 3:307 lid 1 BW. Hof heeft ten onrechte art. 3:307 BW toegepast en beroep op verjaring gehonoreerd.

ECLI:NL:HR:2015:3423

HR 27.11.2015 ECLI:NL:HR:2015:3423, NJ 2016 nr. 3

 Tussen partijen bereikte schikking wordt vastgelegd in proces-verbaal van comparitie van partijen. De vastgelegde vordering is vordering uit overeenkomst (van geldlening) en daarvoor geldt ingevolge art. 3:307 lid 1 BW verjaringstermijn van vijf jaar. Omstandigheid dat vordering is vastgelegd in proces-verbaal waarvan uitgifte in executoriale vorm geschiedt, brengt niet mee dat verjaringstermijn van art. 3:324 BW (twintig jaar) geldt. Vastlegging van schikking in proces-verbaal kan niet worden aangemerkt als rechterlijke uitspraak.

ECLI:NL:HR:2016:234

HR 12.2.2016 ECLI:NL:HR:2016:234

Leverancier levert en plaatst bevloeiingsmatten bij kweker, waarna problemen met bewatering van geteelde planten worden geconstateerd. Tussen partijen vinden besprekingen plaats en daarna stelt kweker leverancier aansprakelijk voor schade door gebrekkige matten. In procedure die uiteindelijk volgt doet leverancier beroep op verjaring. Hof laat in midden of verjaringstermijn van art. 7:23 lid 2 BW (2 jaar) of die van art. 3:310 BW (5 jaar) van toepassing is. In beide gevallen zou termijn zijn voltooid, omdat verjaring is aangevangen in periode voor aansprakelijkstelling. Beide partijen zijn er echter van uitgegaan dat tussen hen in geschil is of als gevolg van aansprakelijkstelling aangevangen verjaring tijdig is gestuit door brief van advocaat van kweker. Hof had derhalve aansprakelijkstelling en eensluidende standpunt van partijen omtrent tussen hen bestaande geschilpunt in oordeelsvorming moeten betrekken. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2016:1052

HR 3.6.2016 ECLI:NL:HR:2016:1052

Eigenaar van restaurants vordert in kort geding van bierbrouwerij terugbetaling van te veel betaalde huur, die op basis van vonnis van kantonrechter uit 2005 was verschuldigd. Dit vonnis is in 2014 vernietigd. Bierbrouwerij doet beroep op verjaring ex art. 3:309 BW. Vordering tot terugbetaling is rechtens ontstaan op moment waarop te hoge huurbedragen telkens werden betaald. Daarmee is aanvangsmoment van verjaring van vordering uit onverschuldigde betaling niet gegeven. Evenals voor art. 3:310 BW is beslist in HR 31.10.2003 NJ 2006 nr. 112 moet voor korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW worden aangenomen dat deze niet alleen in teken staat van rechtszekerheid, maar ook van billijkheid. Termijn begint pas te lopen op dag na die waarop benadeelde daadwerkelijk in staat is rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen. Hangende hoger beroep tegen vonnis waarin partij is veroordeeld tot betaling, is vordering tot terugbetaling niet toewijsbaar. Partij is dus niet daadwerkelijk in staat haar (op dat moment nog toekomstige) aanspraak geldend te maken. Terugwerkende kracht die toekomt aan uitspraak waarbij veroordeling wordt vernietigd, gaat niet zover dat die partij, achteraf gezien, wel geacht moet worden daartoe in staat te zijn geweest. Verjaring van vordering op bierbrouwerij uit hoofde van onverschuldigde betaling is niet eerder gaan lopen dan na vernietiging van vonnis kantonrechter.

ECLI:NL:HR:2016:2222

HR 30.9.2016 ECLI:NL:HR:2016:2222

Advocaat wordt door cliënt aansprakelijk gehouden voor laten verjaren van bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van verstekvonnis uit 1982. In 2002 heeft advocaat executoriaal derdenbeslag laten leggen, wat stuitende werking had. In executiegeschil neemt Hof verjaring in 2007 aan. In beroepsaansprakelijkheidszaak betoogt advocaat dat nadere stuitingshandeling niet nodig was en van verjaring en daarmee van beroepsfout geen sprake is. Hof honoreert dit verweer. Indien op grond van art. 3:324 BW lopende verjaring van bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke of arbitrale uitspraak wordt gestuit op een van wijzen voorzien in art. 3:325 lid 2 BW, begint op grond van art. 3:325 lid 1 jo. 3:319 BW nieuwe verjaringstermijn te lopen die in beginsel gelijk is aan oorspronkelijke termijn (van art. 3:324 lid 1 dan wel lid 3 BW), maar niet langer dan vijf jaren. Daad van tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 3:325 lid 2 sub c BW - zoals executoriaal derdenbeslag op basis van verstekvonnis - kan niet worden beschouwd als of gelijkgesteld worden met stuiting van rechtsvordering door instellen van eis als bedoeld in art. 3:316 lid 1 BW, die (tot moment van definitieve afwijzing van eis) voortdurende stuitende werking heeft. Verjaring van rechtsvorderingen (art. 3:306-315 BW) dient te worden onderscheiden van verjaring van bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van uitspraken (art. 3:324-325 BW). Oordeel Hof dat stuiting voortduurt zolang beslag blijft gehandhaafd is onjuist. Daarmee kan ook oordeel dat advocaat geen beroepsfout heeft gemaakt niet in stand blijven.

ECLI:NL:HR:2016:2988

HR 23.12.2016 ECLI:NL:HR:2016:2988

Tandarts (toen nog student) loopt in 1980 bij verkeersongeval letsel op aan rechterknie. In 1985 wordt met Nederlands Bureau Motorrijtuigverzekeraars (NBM) vaststellingsovereenkomst gesloten met voorbehoud voor financiële gevolgen die voortvloeien uit belangrijke afwijking ten opzichte van rapport van orthopedisch chirurg uit 1982. In 2007 wordt artrose vastgesteld, waarna tandarts beroep doet op voorbehoud. NBM beroept zich op verjaring ex art. 3:307 lid 2 BW. Tandarts betoogt dat voorbehoud inhoudt dat vordering eerst opeisbaar is met bekend worden van in voorbehoud bedoelde schade. Naar oordeel hof hebben partijen beoogd om opeisbaarheid van eventuele toekomstige schade afhankelijk te stellen van opschortende voorwaarde dat schade waarop voorbehoud betrekking heeft, optreedt en aan tandarts bekend is (waarbij schade moet bestaan uit belangrijke afwijking ten opzichte van situatie als beschreven in rapport van deskundige uit 1982). Vervulling van die voorwaarde is niet alleen bepalend voor opeisbaarheid van vordering, maar ook voor aanvang van twintigjarige verjaringstermijn van art. 3:307 lid 2 BW. Vordering was op haar vroegst opeisbaar in zin van art. 3:307 lid 2 BW toen tandarts in 2007 bekend werd met schade en toen is verjaring gaan lopen. Oordeel over opeisbaarheid van vordering is gegrond op uitleg hof van in vaststellingsovereenkomst opgenomen voorbehoud en houdt stand in cassatie.

ECLI:NL:HR:2017:1182

HR 30.6.2017 ECLI:NL:HR:2017:1182

Als verjaringstermijn zou aflopen in tijdvak waarin vennootschap had opgehouden te bestaan of binnen zes maanden na heropening van vereffening, loopt verjaringstermijn door totdat zes maanden na die heropening zijn verstreken (art. 2:23c lid 2 jo. art. 3:320 BW). Die regel veronderstelt dat lopende verjaringstermijn niet afloopt zolang vereffening van rechtspersoon niet is heropend. Heropening is geen vereiste voor (voort)lopen van verjaringstermijn. Om dezelfde reden behoeft verjaring van vordering op niet meer bestaande rechtspersoon niet te worden gestuit zolang die rechtspersoon niet meer bestaat.

lagere rechters

Rechtbank 's-Gravenhage 6.11.2002 NJ Kort 2002 nr. 87

Slachtoffer van incest stelt vader aansprakelijk. Zes jaar na dato meldt vader schade bij zijn AVP-verzekering en cedeert vordering op verzekeraar aan slachtoffer. Slachtoffer vordert op grond van cessie nakoming van uitkeringsverplichting uit verzekeringsovereenkomst. AVP-verzekeraar beroept zich op verjaring. Vordering verjaart vijf jaar nadat deze opeisbaar is geworden. Dat moment is wanneer verzekerde zijn vorderingsrecht jegens AVP-verzekeraar geldend heeft kunnen maken (vgl. HR 11.10.2002 NJ 2002 nr. 558), derhalve toen hij na aansprakelijkstelling schade had kunnen melden.