English

Jurisprudentie

Criterium "bekendheid"

HR 6.4.2001 NJ 2002 nr. 383 met noot Snijders onder nr. 384, VR 2002 nr. 134

Wanneer wist - in de zin van art. 3:310 BW - weduwe van aan asbest overleden werknemer dat werken bij werkgever oorzaak van geconstateerde mesothelioom was? Criterium "bekend is geworden" in art. 3:310 lid 1 BW moet subjectief worden opgevat. Aangesproken partij die zich op verjaring beroept, zal dus moeten stellen en zo nodig bewijzen dat benadeelde daadwerkelijk bekend was met schade en met daarvoor aansprakelijk persoon. Rechter kan echter - bij betwisting daarvan door benadeelde - die bekendheid afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden. Wel mag dan benadeelde tegenbewijs leveren.

HR 24.1.2003 NJ 2003 nr. 300, VR 2003 nr. 168

Werknemer met OPS vordert schadevergoeding van werkgever, die zich op verjaring beroept. Onder "bekend is geworden" in zin van art. 3:310 lid 1 BW dient te worden verstaan: daadwerkelijke bekendheid met zowel schade als met daarvoor aansprakelijke persoon (zie HR 6.4.2001 NJ 2002 nr. 383 met noot Snijders onder nr. 384). Enkele vermoeden van bestaan van schade is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met schade. Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor klachten zijn ontstaan. In algemeen is daarvan pas sprake wanneer oorzaak door deskundige artsen is gediagnosticeerd. Vereiste mate van zekerheid behoeft niet een absolute zekerheid te zijn.

HR 24.3.2006 NJ 2007 nr. 377 met noot Brunner

Grond die eerder toebehoorde aan gemeente blijkt vervuild. Tweede koper spreekt gemeente ex art. 6:162 BW aan tot schadevergoeding. Verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW is van toepassing. Verjaring begint pas te lopen op dag na die waarop benadeelde daadwerkelijk in staat is rechtsvordering in te stellen, waarvoor daadwerkelijke bekendheid met schade nodig is; een vermoeden van bestaan schade is hiervoor niet voldoende. Ook is voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – vereist ten aanzien van identiteit aansprakelijke persoon (vgl. HR 27.5.2005 NJ 2006 nr. 114 met noot Du Perron onder nrs. 112 en 115).

HR 5.1.2007 NJ 2007 nr. 320 met noot Mok, JAR 2007 nr. 50

Voor aanvangen verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW is niet vereist dat benadeelde bekend is met juridische beoordeling van feiten en omstandigheden die betrekking hebben op schade en daarvoor aansprakelijke persoon (vgl. HR 26.11.2004 NJ 2006 nr. 115 met noot Du Perron, niet opgenomen). Derhalve is niet beslissend tijdstip waarop parttimers ervan op hoogte waren dat pensioenregeling in strijd was met art. 119 EG-Verdrag.

HR 9.10.2009 NJ 2012 nr. 193 met noot Du Perron onder HR 3.12.2010 NJ 2012 nr. 196, RAV 2010 nr. 5

Gemeente stelt adviseur aansprakelijk die haar heeft vertegenwoordigd bij aangaan van kredietgarantie met bank. Verjaringstermijn is nog niet gaan lopen op moment van inroepen kredietgarantie door bank. Dat gemeente wist dat tekst kredietgarantie standpunt van bank ondersteunde en zij in rechte risico liep, kan niet meebrengen dat gemeente toen voldoende zekerheid had verkregen dat door adviseur gegeven lezing onjuist was en schade gevolg was van tekortschieten adviseur. Ontstaan van schade was afhankelijk van ongelijk gemeente in geschil met bank. Vordering is niet verjaard.

HR 9.4.2010 NJ 2010 nr. 215

Twee bankmedewerkers die na strafrechtelijke vervolging worden vrijgesproken, stellen Staat en bank aansprakelijk voor schade door onrechtmatig strafvorderlijk optreden. Beroep op verjaring ex art. 3:310 BW slaagt. Bankmedewerkers waren vanaf aanhouding al daadwerkelijk in staat vordering tot schadevergoeding in te stellen nu zij zelf van meet af aan hebben kunnen beoordelen of verdenking waarop strafvervolging gebaseerd was, terecht was. Verjaring is niet pas gaan lopen nadat strafvonnis onherroepelijk was geworden en van hun onschuld bleek.

HR 9.7.2010 NJ 2012 nr. 194 met noot Du Perron onder HR 3.12.2010 NJ 2012 nr. 196, RAV 2010 nr. 90

Nadat bestuurders gefailleerde vennootschap in door curator gestarte procedure ex art. 2:248 BW aansprakelijk zijn geacht voor tekort in faillissement, spreken zij accountant aan die adviseerde over dividendbesluit en, als deze vordering is verjaard, hun advocaat. Accountant is aansprakelijk, maar vordering is verjaard. Aanvang van verjaringstermijn is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden. Bestuurders waren op moment dat zij door curator in rechte werden betrokken reeds daadwerkelijk bekend met feiten waaruit schade voor hen voortvloeit, ook al was toen nog onzeker of rechter vordering van curator zou toewijzen en of daardoor schade voor hen zou ontstaan. Voor aanvang van verjaringstermijn is niet vereist dat benadeelde bekend is met juridische beoordeling van feiten en omstandigheden waaruit schade voortvloeit (HR 26.11.2004 NJ 2006 nr. 115 met noot Du Perron). Toen hadden bestuurders ook voldoende zekerheid dat als zij jegens curator zouden worden veroordeeld tot schadevergoeding, accountant wegens foutieve advisering of onvoldoende voorlichting jegens hen aansprakelijk was.

HR 10.9.2010 NJ 2012 nr. 195 met noot Du Perron onder HR 3.12.2010 NJ 2012 nr. 196, JAR 2010 nr. 253, JA 2010 nr. 134

Werknemer stelt in oktober 2005 werkgever aansprakelijk voor sinds 1992 ondervonden RSI-klachten. Na tijdelijke uitval in 2000 krijgt werknemer aangepaste functie, maar in maart 2001 valt hij ook voor dat werk uit. Beroep van werkgever op verjaring slaagt. Voor gaan lopen van verjaringstermijn ex art. 3:310 lid 1 BW is niet vereist dat benadeelde bekend is met alle componenten of gehele omvang van schade. Aangevangen verjaring geldt ook voor vordering tot vergoeding van schade waarvan benadeelde kon verwachten dat hij die door datzelfde tekortschietend of foutief handelen van aansprakelijke persoon zou kunnen gaan lijden. Vanaf begin 2000 optredende klachten die tot arbeidsongeschiktheid van werknemer hebben geleid, hadden dezelfde aard en oorzaak als klachten in periode daarvoor. Werknemer kon al voor oktober 2000 verwachten dat hij daardoor schade zou kunnen lijden. Dat hij in 2001 in aangepaste functie weer even voltijds aan werk was gegaan, maakt dit niet anders nu dezelfde klachten al kort daarop tot uitval hebben geleid. Vordering is derhalve verjaard.

HR 3.12.2010 NJ 2012 nr. 196 met noot Du Perron, RAV 2011 nr. 24

Kind loopt in 1996 ernstig letsel op bij aanrijding met betonauto. Aansprakelijkstelling door moeder (wettelijk vertegenwoordigster) volgt pas in 2003 en 2004. Degene die identiteit van aansprakelijke persoon met beperkt onderzoek eenvoudig had kunnen achterhalen, maar heeft nagelaten dergelijk onderzoek in te stellen, kan zich ter afwering van beroep op verjaring niet beroepen op subjectieve onbekendheid met aansprakelijke persoon. Indien die identiteit gemakkelijk kan worden vastgesteld, mag van benadeelde in beginsel worden verlangd dat hij zich enigermate inspant om erachter te komen wie voor schade aansprakelijk is. Als moeder onderzoek zou hebben verricht, zou zij binnen afzienbare tijd na ongeval hebben kunnen weten wie betonauto bestuurde en bij wie chauffeur in dienst was. Vordering van thans meerderjarige benadeelde is verjaard. Dat schuldeiser geen verwijt kan worden gemaakt van niet tijdig instellen van rechtsvordering (vanwege minderjarigheid en afhankelijkheid van moeder) maakt beroep op verjaring nog niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

HR 4.5.2012 RvdW 2012 nr. 693, JA 2012 nr. 149 met noot Smeehuijzen

(failliete) vennootschap en diens bestuurder zijn hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan derde. Curator spreekt bestuurder ex art. 2:9 BW voor boedeltekort aan dan wel ex art. 6:10 lid 2 BW voor hetgeen vennootschap als hoofdelijk schuldenaar aan derde heeft betaald. Vordering ex art. 2:9 BW is verjaard. Vennootschap was op moment dat zij door derde in rechte werd betrokken reeds daadwerkelijk bekend met feiten waaruit schade voor haar voortvloeide, ook al was toen nog onzeker of rechter vordering van derde zou toewijzen. Dit is voldoende voor aanvang verjaringstermijn. Vennootschap was toen in staat verhaalsvordering jegens bestuurder in te stellen. Omdat uit gedingstukken niet blijkt wanneer bestuurder is gedefungeerd, ontbrak voor Hof feitelijke basis om ambtshalve verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 sub d juncto art. 3:320 BW te kunnen toepassen. Voor regresvordering ex art. 6:10 BW is onvoldoende gesteld, zodat die wordt afgewezen.

ECLI:NL:HR:2014:3240

HR 14.11.2014 ECLI:NL:HR:2014:3240

Geschil tussen verzekeraar en vennootschap (assurantietussenpersoon) leidt sinds 1998 tot diverse gerechtelijke procedures. In 1998 wordt verzekeraar bekend met rapport, waaruit blijkt dat bestuurder van vennootschap premiegelden heeft 'weggesluisd'. In 2009 wordt vennootschap in arbitrageprocedure veroordeeld tot schadevergoeding, waarvoor zij geen verhaal biedt. Daarna stelt verzekeraar bestuurder persoonlijk aansprakelijk, die zich op verjaring beroept. Voor beantwoording van vraag of benadeelde daadwerkelijk in staat is rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen, is bepalend of hij voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van betrokken persoon. Daarnaast geldt niet mede eis dat (reeds duidelijk is dat) in te stellen vordering 'voor toewijzing vatbaar is'. Bekendheid met gedragingen van bestuurder in 1998 brengt nog niet mee dat toen ook bekendheid bestond met door verzekeraar gevorderde schade, bestaande uit niet kunnen verhalen van vordering op vennootschap.
Hof kon niet oordelen dat na royement in 1999 van eerdere bodemprocedure tegen bestuurder aan in die procedure ingestelde eis geen stuitende werking toekomt. Indien partijen rechtsgevolgen van royement niet bij overeenkomst hebben geregeld, staat royement op zich niet eraan in weg dat stuiting, aangevangen door instellen van eis in rechte (art. 3:316 BW), voorshands voor onbepaalde tijd doorloopt. Behalve ingevolge in wet voorziene mogelijkheid van regeling tussen partijen, dient te worden aangenomen dat eveneens geen sprake meer is van stuitende werking wanneer gerechtigde afstand heeft gedaan van recht om procedure na royement te hervatten, of wanneer schuldenaar op grond van omstandigheden van geval erop mocht vertrouwen dat bewuste procedure niet meer hervat zou worden.

ECLI:NL:HR:2017:552

HR 31.3.2017 ECLI:NL:HR:2017:552

Door eerst Rijkswaterstaat en later gemeente zijn werkzaamheden uitgevoerd in nabijheid van horecagelegenheid, waarna wateroverlast op terrein van horecagelegenheid ontstaat. Rechtsbijstandverlener van horecaexploitant stelt gemeente en waterschap in februari 2003 aansprakelijk, die aansprakelijkheid afwijzen. Na onderzoeksrapport van adviesbureau stelt hij in juli 2008 Rijkswaterstaat aansprakelijk. Rijkswaterstaat beroept zich op verjaring. Naar oordeel Hof is verjaring uiterlijk na brief van februari 2003 gaan lopen en is vordering verjaard. Hoge Raad stelt art. 3:310 lid 1 BW en daaraan in jurisprudentie gegeven uitleg voorop. Hof heeft voor aanvang van verjaringstermijn ten onrechte doorslaggevend geacht dat horecaexploitant bekend was met mogelijkheid dat Rijkswaterstaat voor schade aansprakelijk was en dat zij haar rechten door aansprakelijkstelling veilig had kunnen stellen. Die enkele mogelijkheid is, ook indien horecaexploitant professionele rechtsbijstand genoot, niet voldoende om aan te nemen dat bij haar voldoende zekerheid bestond dat schade was veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van Rijkswaterstaat.

ECLI:NL:HR:2018:677

HR 4.5.2018 ECLI:NL:HR:2018:677

TMG stelt Staat aansprakelijk voor onjuiste implementatie van Europese Databankenrichtlijn in 1999, waardoor onpersoonlijke geschriftenbescherming ten onrechte tot 2015 is gehandhaafd. TMG kon hierdoor niet weekoverzicht van programmagegevens in Telegraaf publiceren en heeft schade geleden. Staat doet beroep op verjaring. Hoge Raad zet art. 3:310 lid 1 BW en daaraan in rechtspraak gegeven uitleg uiteen. Daadwerkelijke bekendheid met juridische beoordeling van feiten en omstandigheden die betrekking hebben op schade en daarvoor aansprakelijke persoon is voor gaan lopen van verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW niet vereist (zie HR 26.11.2004 ECLI:NL:HR:2004:AR1739, NJ 2006 nr. 115; HR 5.1.2007 ECLI:NL:HR:2007:AY8771, NJ 2007 nr. 320 en HR 31.3.2017 ECLI:NL:HR:2017:552, NJ 2017 nr. 165). TMG leed in 1998/1999 al schade door auteursrechtelijke bescherming van programmagegevens en wist wie voor die wetgeving verantwoordelijk was. Dat TMG pas na arrest van Hof van Justitie EU in 2012 voldoende zekerheid had dat schade (mede) was veroorzaakt door onrechtmatig handelen van Staat, maakt niet dat verjaring later is gaan lopen. Zolang geen juiste implementatie van Europese richtlijn plaatsvindt, levert dit iedere dag zelfstandige onrechtmatige daad van Staat op, zodat daarop gegronde vorderingen afzonderlijk verjaren. Vordering van TMG tot schadevergoeding is niet verjaard voor zover betreft periode van vijf jaar voorafgaand aan aansprakelijkstelling in 2012.