English

Jurisprudentie

Algemeen

HR 19.10.2001 NJ 2001 nr. 655, VR 2002 nr. 51

Op grond van oude verjaringsrecht vangt verjaring van vordering tot vergoeding van schade op grond van onrechtmatige daad aan op tijdstip waarop schade is geleden. Ook met betrekking tot immateriële schade geldt dat deze is ontstaan en dus is geleden op tijdstip waarop onrechtmatige daad is gepleegd. Daaraan doet niet af dat sprake is van doorlopende schade in die zin dat leed en verdriet voortduren.

HR 11.10.2002 NJ 2002 nr. 558

Seksueel misbruikte vrouw doet in 1993 aangifte maar stelt vanwege psychische gesteldheid pas meer dan vijf jaar daarna rechtsvordering tegen dader in. Vooropgesteld moet worden dat termijn van art. 3:310 BW een "hard and fast rule" is. Wanneer niet-geldend kunnen maken van vordering voortvloeit uit omstandigheden die aan dader moeten worden toegerekend, begint verjaringstermijn pas te lopen op moment dat omstandigheden het niet-geldend kunnen maken niet langer verhinderen (vgl. HR 23.10.1998 NJ 2000 nr. 15 met noot Bloembergen onder nr. 16, niet opgenomen). Zolang verjaring niet is aangevangen, kan van stuiting geen sprake zijn. Slachtoffer behoefde zich in 1993 derhalve niet uitdrukkelijk alle rechten voor te behouden.

HR 10.10.2003 NJ 2003 nr. 680

Belastingadviseur maakt fout waardoor belastingplichtige meer belasting verschuldigd is. Voor aanvangen van vijfjarige verjaringstermijn is vereist dat belastingplichtige daadwerkelijk schade heeft geleden. Schade door verplichting tot betaling van belasting ontstaat eerst door opleggen aanslag. Eerst op datum van ondertekening aanslagbiljet heeft verjaringstermijn een aanvang genomen.

HR 20.2.2004 NJ 2006 nr. 113 met noot Du Perron onder nr. 112

De vijfjarige termijn van art. 3:310 lid 1 BW vangt aan op dag na die, waarop benadeelde daadwerkelijk in staat is rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen. Dat betekent niet dat benadeelde steeds ook met oorzaak schade bekend moet zijn.

HR 27.5.2005 NJ 2006 nr. 114 met noot Du Perron onder nrs. 112 en 115

Mogelijke beroepsfout neuroloog bij operatie op 6 april 1993. Advocaat van patiënt stelt neuroloog eerst meer dan vijf jaar later aansprakelijk. Neuroloog beroept zich op verjaring. Patiënt vordert schadevergoeding van advocaat. Verjaringstermijn begint te lopen zodra patiënt voldoende zekerheid heeft – die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn – dat letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschieten of foutief medisch handelen (zie HR 31.10.2003 NJ 2006 nr. 112 met noot Du Perron, niet opgenomen). Dat was op 6 april 1993 nog niet het geval.

HR 24.11.2006 NJ 2006 nr. 643, JA 2007 nr. 32 met noot Smeehuijzen

Door middel van ruil met gemeente verkrijgt eiseres bedrijfsterrein dat ruim 20 jaar later ernstig vervuild blijkt te zijn. Op vordering eiseres tot schadevergoeding als gevolg van in verkeer brengen vervuild bedrijfsterrein is verlengde verjaringstermijn van 30 jaar van art. 3:310 lid 2 BW niet van toepassing omdat gemeente verontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt. Bewoordingen art. 3:310 lid 2 BW staan aan deze restrictieve uitleg niet in weg.

HR 2.12.2011 NJ 2012 nr. 197 met noot Tjong Tjin Tai, VR 2012 nr. 73

Voor vordering jegens producent van asbestplaten wegens op onrechtmatige wijze in verkeer brengen van platen zonder te waarschuwen voor daaraan verbonden gevaar geldt 30-jarige termijn van art. 3:310 lid 2 BW. Asbest levert bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen op in zin van art. 6:175 lid 1 BW, welk gevaar zich heeft verwezenlijkt. Verwijzing in art. 3:310 lid 2 BW duidt slechts aan om welke soort schadelijke stoffen het gaat. Ook korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW is niet verstreken, omdat erven in gegeven omstandigheden voldoende uitvoering hebben gegeven aan redelijkerwijs van hen te verlangen, eenvoudig uit te voeren onderzoek naar identiteit van aansprakelijke persoon.

HR 6.4.2012 RvdW 2012 nr. 534, JA 2012 nr. 107 met noot Wolf

Gesubrogeerde verzekeraar zoekt regres op hoofdelijk aansprakelijke mede-eigenaar en diens verzekeraar voor helft van door paard toegebrachte schade. Op regresvordering ex art. 6:10 BW is art. 3:310 lid 1 BW van toepassing; begrip "rechtsvordering tot vergoeding van schade" heeft ruime strekking. Korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW gaat niet lopen voordat schadevordering opeisbaar is geworden, ook als voordien al bekend is dat schade geleden zal worden en wie aansprakelijke persoon is. Regresvordering van hoofdelijk verbonden schuldenaar ontstaat pas op moment dat hij schuld aan schuldeiser voldoet voor meer dan gedeelte dat hem aangaat. Pas na deze betaling is vordering opeisbaar en vangt verjaring aan. Indien vordering ex art. 6:10 BW niet is verjaard, kan instellen daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of kan regresnemer recht hebben verwerkt op grond van feiten en omstandigheden die (mede) hebben plaatsgevonden voordat regresvordering is ontstaan.

ECLI:NL:HR:2017:2623

HR 13.10.2017 ECLI:NL:HR:2017:2623

Koper stelt notaris aansprakelijk wegens nalaten te waarschuwen voor lopende onteigeningsprocedure inzake gekocht perceel grond. Hof wijst vordering af. Voor koper moet in 2004 duidelijk zijn geweest dat onteigeningsprocedure nog liep en hij is toen met bestaan van schade bekend geworden. Van koper mag worden verwacht dat hij enig onderzoek doet naar oorzaak van verkeerde veronderstelling en rol van notaris daarin. Alle feiten om vordering jegens notaris in te stellen, waren in 2006 bekend, zodat toen verjaring is gaan lopen. Vordering verjaart ex art. 3:310 BW vijf jaar later, in 2011. Koper heeft notaris pas in 2014 gedagvaard, dus te laat. Hoge Raad doet zaak af op art. 81 lid 1 RO. A-G gaat in op vraag wanneer verjaringstermijn gaat lopen, meer specifiek of risico van onteigening kwalificeert als ingetreden schade.

ECLI:NL:HR:2017:2902

HR 17.11.2017 ECLI:NL:HR:2017:2902

Aandeelhouders in holding wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan bedrog bij verkoop aandelen holding. Vordering tot schadevergoeding wordt gebaseerd op bedrog. Vanwege verjaring wordt vordering afgewezen. Tweejarige verjaringstermijn van non-conformiteit (art. 7:23 lid 2 BW) geldt ook bij vordering gebaseerd op bedrog waaraan feiten ten grondslag liggen die stelling zouden rechtvaardigen dat afgeleverde zaak niet aan overeenkomst beantwoordt. Deze termijn is alleen niet van toepassing op vordering wegens bedrog voor zover onderbouwd met feiten die zelfstandig, dus los van feiten die toewijzing non-conformiteitsvordering kunnen dragen, bedrog opleveren.

ECLI:NL:HR:2019:412

HR 22.3.2019 ECLI:NL:HR:2019:412

 Parkeergarage stelt Vereniging van Eigenaars van naastgelegen flatgebouw aansprakelijk voor in 2015 geconstateerde schade door gebrekkige oprit van flatgebouw die naast afscheidingsmuur van parkeergarage is aangelegd. Gebeurtenis waardoor schade is veroorzaakt, is sinds 1974 voortdurende aanwezigheid van oprit zonder grondkerende voorziening en gronddruk die gewicht van oprit, al dan niet in combinatie met dat van voertuigen op oprit, sinds aanleg is blijven uitoefenen op muur. Vraag is wanneer verjaring van art. 3:310 BW is gaan lopen. Opstalaansprakelijkheid is niet verbonden aan schadeveroorzakende gedraging, maar aan schadeveroorzakende toestand waarop art. 6:174 BW ziet. Er is geen reden om gedraging – in dit geval aanleg van oprit zonder grondkerende constructie – aan te merken als schadeveroorzakende gebeurtenis waardoor verjaringstermijn van twintig jaren gaat lopen. Hoge Raad maakt nog opmerking over aanvangsmoment van twintigjarige termijn. Voortdurende karakter van schadeveroorzakende gebeurtenis in deze zaak brengt mee dat die gebeurtenis niet tot één moment kan worden herleid. Aangenomen moet worden dat termijn van twintig jaren begint te lopen zodra gebeurtenis waardoor schade is veroorzaakt, is opgehouden te bestaan. Dit strookt met wat in art. 3:310 lid 3 BW is geregeld voor in art. 3:310 lid 2 BW genoemde gevallen. Bepaalde in art. 3:310 lid 3 BW geldt nu algemeen.

lagere rechters

Rechtbank Middelburg 21.4.2004 NJF 2004 nr. 478

Slachtoffer seksueel misbruik vordert schadevergoeding over periode 1977-1983. Haar vordering is evenwel verjaard. Art. 3:310 lid 4 BW dat bepaalt dat vordering niet verjaart zolang recht tot strafvordering niet door verjaring is vervallen, heeft weliswaar onmiddellijke werking vanaf 1 september 1994, maar dat houdt niet in dat civiele vordering die is gebaseerd op strafbare feiten, gepleegd vóór 1 september 1994 en die toen al was verjaard, weer herleeft.

Rechtbank Rotterdam 28.11.2007 JA 2008 nr. 21

Advocaat staat cliënt bij in verband met opzegging maatschap waartoe cliënt behoorde. Cliënt wordt jegens achterblijvende maat veroordeeld tot betaling schadevergoeding en boetes wegens overtreding in maatschapscontract opgenomen concurrentiebeding en stelt advocaat hiervoor aansprakelijk. Cliënt wist al ruim vijf jaar vóór aansprakelijkstelling advocaat dat achterblijvende maat aanspraak maakte op betaling boetes. Vordering echter niet verjaard, nu geen sprake was van voldoende zekerheid van bestaan van schade. Cliënt is er steeds van uitgegaan dat geen beroep op concurrentiebeding zou worden gedaan. Zo advocaat wist dat achterblijvende maat een beroep op beding kon doen, had hij cliënt daarover moeten informeren. Nu dat niet is geschied en het aan handelwijze advocaat toe te rekenen zou zijn dat cliënt hem niet eerder aansprakelijk heeft gesteld, zou succesvol beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

Rechtbank Amsterdam 17.12.2008 NJ 2009 nr. 311, NJF 2009 nr. 21, JA 2009 nr. 9, RAV 2009 nr. 32

Verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW is niet beperkt tot vorderingen ex art. 6:175 BW maar ziet op elk geschil waarbij sprake is van schade als gevolg van gevaarlijke stof als bedoeld in art. 6:175 BW. Nu sigaretten zulke gevaarlijke stoffen bevatten, is op vordering van ex-roker jegens tabaksfabrikant verjaringstermijn van 30 jaar van toepassing. Termijn vangt aan dag nadat roker is gestopt met kopen van sigaretten die zonder waarschuwing op markt zijn gebracht.

Rechtbank Rotterdam 7.1.2009 JA 2009 nr. 57

10-jarige jongen wordt in 2001 door tram aangereden. Ouders stellen gemeente in 2007 aansprakelijk voor gevolgen ongeval, waaronder schade als gevolg van epileptische aanvallen jongen. Nu jongen sinds april 2005 epilepsie heeft en ouders toen pas daadwerkelijk bekend waren met die schade, wordt beroep van gemeente op verjaring daarvan verworpen. Enkele mogelijkheid dat bij aanrijding opgelopen hersenletsel in toekomst tot schade zou kunnen leiden, is onvoldoende om verjaring direct aan te laten vangen. Overige schade is wel verjaard, nu ouders hiermee direct na ongeval bekend waren. Gemeente is aansprakelijk. Voor vaststelling causaal verband tussen ongeval en epilepsie wordt deskundige benoemd.

Rechtbank Alkmaar 22.4.2009 JA 2009 nr. 101 met noot Van Boom, NJF 2009 nr. 323

Individuele vordering tot schadevergoeding van benadeelde inzake legionellabesmetting na collectieve actie Consumentenbond. Whirlpoolverkoper doet vergeefs beroep op verjaring. Door Consumentenbond aangespannen procedure heeft verjaring van schadevergoedingsvordering gestuit. Individuele benadeelde mag met vordering wachten totdat in kader van collectieve actie onherroepelijk is vastgesteld wie aansprakelijk kan worden gehouden, maar dient vordering wel binnen redelijke termijn na afloop van collectieve actie in te stellen. Dat is hier gebeurd, zodat beroep op verjaring wordt verworpen.

Rechtbank Zutphen 3.3.2010 JA 2010 nr. 75 met noot Ruitenbeek-Bart

Verzekeraar van uitlener zoekt ex art. 6:10 lid 2 BW regres op inmiddels failliete pluimveeslachterij voor aan uitzendkracht betaalde schadevergoeding ter zake van arbeidsongeval. Curatoren beroepen zich op verjaring. Voor regresvordering uit hoofdelijkheid geldt vijfjarige termijn van art. 3:310 lid 1 BW. Bijdrageplicht van slachterij is niet eerder ontstaan dan op moment waarop verzekeraar aan uitzendkracht schade heeft vergoed. Voor succesvol beroep van curatoren op art. 6:11 lid 3 BW is vereist dat niet alleen vordering van uitzendkracht op slachterij was verjaard, maar ook vordering op uitlener. Verzekeraar mag bewijzen dat verjaring jegens uitlener is gestuit.