English

Jurisprudentie

Schriftelijke mededeling

HR 14.2.1997 NJ 1997 nr. 244 (gespreksnotitie)

In casu geen "schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt" in de zin van art. 3:317 BW. Strekking stuitingshandeling is waarschuwing aan schuldenaar dat hij er, ook na verstrijken verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat hij beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.

HR 11.1.2002 NJ 2002 nr. 81

Koper stelt dat gekocht apparaat onvoldoende functioneert en vordert ontbinding overeenkomst, terugbetaling koopprijs en schadevergoeding. Volgens Hof is vordering verjaard omdat niet is voldaan aan eis van art. 3:317 lid 2 BW dat schriftelijke aanmaning binnen zes maanden is gevolgd door dagvaarding. Dit oordeel is onjuist. Vorderingen tot terugbetaling van koopprijs en tot schadevergoeding, ook als zij worden gecombineerd met vordering tot ontbinding, zijn vorderingen als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW. Strekking van die bepaling is aanmaning stuitende werking te geven en niet schuldeiser te dwingen snel tot rechtsmaatregelen over te gaan.

HR 13.12.2002 NJ 2003 nr. 212

Advocaat van patiënte stelt arts schriftelijk aansprakelijk voor beroepsfout. Arts verwijst in zijn schriftelijke antwoord naar zijn aansprakelijkheidsverzekeraar. Deze geeft later aan schade te willen vergoeden. Patiënt en verzekeraar komen vervolgens niet tot overeenstemming over hoogte schade, waarna patiënte tot dagvaarden arts overgaat. Arts beroept zich ten onrechte op verjaring. Uit mededeling verzekeraar dat hij zich kon vinden in bevindingen expert en dat voorschotbetaling zou worden verricht, in combinatie met voorstel voor plan van aanpak schadeafwikkeling, mag erkenning van aansprakelijkheid worden afgeleid, hetgeen verjaring stuit. Weliswaar is deze erkenning niet gedaan door aangesproken arts zelf, maar arts heeft aangegeven dat hij beoordeling en beslissing omtrent zijn aansprakelijkheid aan zijn verzekeraar overliet, zodat verzekeraar als vertegenwoordiger van arts heeft te gelden.

HR 24.11.2006 NJ 2006 nr. 642, JA 2007 nr. 31 met noot Smeehuijzen

Rechtsgeldige stuiting? Brief inhoudende dat aan aansprakelijkheid WAM-verzekeraar niet valt te tornen, dat sprake is van causaal verband tussen ongeval en klachten en waarin wordt verzocht schaderegeling ter hand te nemen, in samenhang met eerdere correspondentie, laat geen andere uitleg toe dan dat slachtoffer zich recht op nakoming heeft voorbehouden zoals bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW. Uit reactie WAM-verzekeraar blijkt dat deze dit ook heeft begrepen.

HR 27.6.2008 NJ 2008 nr. 373, JAR 2008 nr. 189

Brief waarin werknemer nietigheid van ontslag inriep wegens ontbreken toestemming als bedoeld in art. 6 BBA 1945 heeft stuitende werking ten aanzien van vordering op grond van kennelijk onredelijk ontslag. Werkgever was of moest als professionele WSW-organisatie ermee bekend zijn dat werknemer op verkeerd juridisch spoor zat. Stuitingsmededeling ex art. 3:317 lid 1 BW behoeft vordering niet nauwkeurig en met correcte juridische grondslag daarvoor te omschrijven.

HR 18.9.2009 NJ 2009 nr. 439

Indiening van verzoekschrift tot bevelen van voorlopig deskundigenbericht/getuigenverhoor is niet te beschouwen als instellen van eis of andere daad van rechtsvervolging die ex art. 3:316 BW verjaring stuit. Verzoekschrift kan wel als mededeling in zin van art. 3:317 lid 1 BW worden opgevat. Of dat zo is, moet worden beoordeeld aan hand van tekst, context waarin mededeling wordt gedaan en overige omstandigheden van geval. Indiening van verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht is niet gelijk te stellen met het in onderhandeling treden met verzekeraar in zin van art. 10 lid 5 WAM; het heeft geen stuitende werking in zin van art. 10 lid 4 WAM.

HR 9.4.2010 NJ 2010 nr. 214

Koper spreekt gemeente aan tot betaling van verbeurde dwangsommen. Ook in geval partijen in onderhandeling zijn geldt dat voor stuiting van verjaring schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling in zin van art. 3:317 BW is vereist (vgl. HR 1.2.2002 NJ 2002 nr. 195). Enkele stelling dat gemeente, gelet op onderhandelingen, heeft moeten begrijpen dat wederpartij aanspraak op dwangsommen wenste te handhaven, is onvoldoende om beroep op art. 6:2 lid 2 BW, dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond kan worden geacht, te rechtvaardigen. Dwangsommen zijn verjaard.

HR 16.4.2010 NJ 2010 nr. 229

Patiënte stelt ziekenhuis aansprakelijk voor mislukte abortus. Uit mededeling van ziekenhuis in brief dat het behandeling van aansprakelijkstelling en informatieverstrekking daarover verder aan verzekeraar overlaat, mocht patiënte redelijkerwijs begrijpen dat verzekeraar gemachtigd was stuitingsbrieven in ontvangst te nemen. Brief van patiënte aan verzekeraar heeft verjaring gestuit. Ziekenhuis dient schade van patiënte te vergoeden.

HR 8.10.2010 NJ 2010 nr. 545

Voor voldoende duidelijke waarschuwing die stuitingshandeling dient in te houden, is noodzakelijk dat voor schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld. Daartoe is in elk geval vereist dat vordering zodanig is omschreven dat schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren. Oordeel Hof dat exploten geen stuitende werking hadden, nu aangesproken vennootschap redelijkerwijs niet behoefde te begrijpen dat aandeelhouders meenden (ook) vordering uit onverschuldigde betaling in verband met overtreding van effectenrechtelijke voorschriften jegens haar te hebben, is niet onbegrijpelijk.

HR 28.10.2011 NJ 2011 nr. 503

Uit wanprestatie aansprakelijke partij beroept zich op in algemene voorwaarden opgenomen verval- en verjaringstermijn. Vordering is niet vervallen want eisende partij heeft binnen vervaltermijn (voorwaardelijke) vordering ingesteld bij in voorwaarden aangewezen arbitrale college. Verjaring is tijdig gestuit; toezending van kopie ingediend verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor heeft verjaring ex art. 3:317 lid 1 BW gestuit. Ook latere brief waarin wordt gevraagd naar gronden waarop aangesproken partij meent niet aansprakelijk te zijn, is in licht van verdere correspondentie tussen partijen te beschouwen als rechtsgeldige stuitingshandeling.

ECLI:NL:HR:2014:766

HR 28.3.2014 ECLI:NL:HR:2014:766, RvdW 2014 nr. 519

Vereniging van Effectenbezitters stelt collectieve actie in tegen accountants en laat collectieve stuitingsbrief betekenen. Prejudiciële vraag of rechtspersoon in zin van art. 3:305a BW verjaring van vorderingen tot schadevergoeding van degenen wiens belangen hij volgens zijn statuten behartigt, kan stuiten door aanmaning of mededeling op voet van art. 3:317 lid 1 BW. Dit kan, gelet op totstandkomingsgeschiedenis en doel van regeling van art. 3:305a BW. Rechtspersoon, belanghebbenden voor wie hij opkomt, maar evenzeer schuldenaar, hebben belang erbij dat verjaring kan worden gestuit op wijze die niet onnodig belastend is.

ECLI:NL:HR:2015:2741

HR 18.9.2015 ECLI:NL:HR:2015:2741, NJ 2015 nr. 382, JA 2015 nr. 150 met noot Dufour

Advocaat stelt in aan advocaat van wederpartij gerichte brief onder meer bespreking over geschil van partijen voor, wijst er uitdrukkelijk op dat procedure aanhangig zou kunnen worden gemaakt en merkt ter afsluiting op dat goed is verzekeraars te berichten over potentiële claims. Hof heeft ten onrechte aan deze brief geen stuitende werking toegekend. Bij beoordeling of mededeling aan eisen van art. 3:317 lid 1 BW voldoet, dient niet alleen te worden gelet op formulering daarvan, maar ook op context waarin mededeling wordt gedaan en overige omstandigheden van geval (vgl. HR 18.9.2009 NJ 2009 nr. 439). Bij beoordeling kan onder omstandigheden mede betekenis toekomen aan verdere correspondentie tussen partijen (HR 28.10.2011 NJ 2011 nr. 503). Ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat rechtshandeling is verricht, kunnen medebepalend zijn voor uitleg daarvan. Brief houdt voldoende duidelijke waarschuwing aan schuldenaar in dat hij, ook na verstrijken van verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal. Volgen van strategie om eerst informatie te verkrijgen en bespreking te voeren, behoeft deze waarschuwing geenszins te ontkrachten.

ECLI:NL:HR:2016:1112

HR 3.6.2016 ECLI:NL:HR:2016:1112

Paardenhouder vordert van gemeente vergoeding van schade als gevolg van feit dat voor verplaatsing van zijn stoeterij vereiste milieuvergunning, nadat deze hem was verleend, tot viermaal toe om uiteenlopende redenen door bestuursrechter is vernietigd. Na eerste vernietiging van vergunning heeft zijn advocaat gemeente aansprakelijk gesteld voor uit vernietiging voortvloeiende schade. In latere brief heeft advocaat over aanpassing van oorspronkelijk contract, noodzaak tot schadeloosstelling en aanbieden van geschikte locatie voor stoeterij geschreven. Bij beoordeling of tweede brief aan eisen van art. 3:317 lid 1 BW voldoet, dient niet alleen te worden gelet op formulering daarvan, maar ook op context waarin mededeling wordt gedaan en op overige omstandigheden van geval (zie o.a. HR 18.9.2015 ECLI:NL:HR:2015:2741). Volgens Hof heeft gemeente als professionele partij in gegeven context, mede tegen achtergrond van eerdere aansprakelijkstelling, deze brief moeten opvatten als mede inhoudende ondubbelzinnige mededeling dat paardenhouder zich zijn recht op schadevergoeding wegens gebreken die aan eerste vergunning kleefden, voorbehield. Dit oordeel houdt stand.
Wordt begunstigend besluit (zoals vergunning) door bestuursrechter (onherroepelijk) vernietigd, dan kan aanvrager op grond van onrechtmatige daad aanspraak maken op vergoeding van schade die hij daardoor lijdt, mits bestuursorgaan ook begunstigend besluit zou hebben genomen indien het wel overeenkomstig wet zou hebben beslist. Dit laatste zal in beginsel kunnen worden aangenomen als bestuursorgaan wanneer het na vernietiging opnieuw beslist, andermaal begunstigend besluit neemt en dat besluit, al dan niet na daartegen ingesteld bezwaar en beroep, onherroepelijk wordt. Dit kan echter ook worden afgeleid uit andere omstandigheden.

ECLI:NL:HR:2017:3255

HR 22.12.2017 ECLI:NL:HR:2017:3255

Stichting ter behartiging van belangen van voormalige bestuurders World Online vordert verklaring voor recht dat voormalig aandeelhouder World Online aansprakelijk is vanwege nalaten aan bestuurders toegezegde bonus uit te keren, incorrecte prospectus, althans onvolledige informatie over wijzigingen in aandeelhouderschap. Aandeelhouder beroept zich op verjaring. Stuitingsbrief zag op beursgang van World Online en niet op niet-nagekomen toezegging aan bestuurder. Hof oordeelt dat in kader van art. 3:317 BW niet alleen naar tekst van brief moet worden gekeken, maar ook naar context waarin mededelingen zijn gedaan en overige omstandigheden van geval. Als door Stichting gesteld overleg tussen partijen na beursgang juist is, had duidelijk moeten zijn dat stuitingsbrief mede betrekking had op vordering inzake toegezegde bonus en is deze gestuit. Stichting krijgt bewijsopdracht. Hoge Raad doet zaak af op art. 81 lid 1 RO.

ECLI:NL:HR:2018:108

HR 26.1.2018 ECLI:NL:HR:2018:108

Verzekeraar heeft rechtsgeldig namens verzekerde aansprakelijkheid voor schade erkend en is in vervolg daarop met benadeelde in onderhandeling getreden over schadeafwikkeling. Als verzekeraar in dergelijk geval al niet op grond van polisvoorwaarden (ook) bij schadeafwikkeling optreedt als vertegenwoordiger van verzekerde, geldt – behoudens bijvoorbeeld andersluidende mededeling van verzekeraar of verzekerde – als uitgangspunt dat benadeelde op zodanige vertegenwoordigingsbevoegdheid mag vertrouwen. Ook vertegenwoordiger kan verjaring stuiten door erkenning (HR 13.12.2002 ECLI:NL:HR:2002:AE9243). Uitsluitend omvang van schade staat nog ter discussie. Anders dan Hof oordeelt Hoge Raad dat voor eventuele erkenning door verzekeraar (namens verzekerde) als grond voor stuiting van lopende verjaring ex art. 3:318 BW voldoende is erkenning dat benadeelde aanspraak heeft op hogere schadevergoeding dan reeds (zonder voorbehoud) is betaald.

ECLI:NL:HR:2018:111

HR 26.1.2018 ECLI:NL:HR:2018:111

Vanaf jaren 90 zijn gemeente en bedrijfseigenaar in gesprek over verplaatsing van bedrijf.
In juni 2002 sluiten partijen overeenkomst en in mei 2004 nadere overeenkomst. Bedrijf wordt in 2006 verplaatst en eigenaar stelt gemeente in juli 2008 aansprakelijk voor vertragingsschade. Gemeente doet beroep op verjaring.
Volgens Hof heeft nadere overeenkomst uit 2004 verjaring niet gestuit. Bij beoordeling of mededeling aan eisen van art. 3:317 lid 1 BW voldoet, dient niet alleen te worden gelet op formulering daarvan, maar ook op context waarin mededeling wordt gedaan en op overige omstandigheden van geval (zie HR 18.9.2009 ECLI:NL:HR:2009:BI8502, NJ 2009 nr. 439). Hof heeft onbegrijpelijke uitleg gegeven aan bepaling in overeenkomst (uit juni 2002), die ziet op door bedrijfseigenaar te starten arbitrageprocedure vòòr 1 mei 2002. Daarmee houdt daarop voortbouwende oordeel over nadere overeenkomst en stuiting geen stand.
In HR 1.2.2002 ECLI:NL:HR:2002:AD5811, NJ 2002 nr. 195 is geoordeeld dat niet is uitgesloten dat beroep op verjaring ex art. 3:310 lid 1 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is bij onderhandelingen. Stellingen bedrijfseigenaar houden in dat hij en gemeente binnen vijf jaar na sluiten van overeenkomst in 2002 in onderhandeling zijn getreden en dat, toen dat op niets uitliep, hij gemeente heeft gedagvaard. Hof had niet zonder motivering voorbij mogen gaan aan standpunt van bedrijfseigenaar dat beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgt vernietiging.

lagere rechters

Rechtbank Amsterdam 20.12.2000 VR 2002 nr. 146

Stuiting door brief gericht aan aansprakelijkheidsverzekeraar in plaats van aan schuldenaar zelf is rechtsgeldig nu schuldenaar afwikkeling van aansprakelijkstelling geheel aan aansprakelijkheidsverzekeraar heeft overgelaten.

Rechtbank Maastricht 28.1.2004 NJF 2004 nr. 269

Geen verjaring ex art. 3:310 BW nu partijen in "verjaringsperiode" met elkaar overleg hebben gevoerd over aansprakelijkheid waaruit (onder meer) deskundigenrapport is voortgevloeid, zodat verjaring ex art. 3:317 BW is gestuit. Overleg c.q. onderhandelingen kunnen onder omstandigheden verjaring stuiten. In dit verband ligt voor de hand om onder overleg en onderhandelen te verstaan dat partijen schriftelijke mededelingen uitwisselen die oogmerk hebben of kunnen hebben om tot regeling of overeenkomst te komen. Bij uitwisselen schriftelijke mededelingen duwt iedere brief verjaringstermijn weer een stukje vooruit.

Rechtbank Haarlem 2.4.2008 JA 2008 nr. 115

Tijdens operatie waarbij slokdarm patiënte wordt opgerekt, doet zich slokdarmperforatie voor die tot vele complicaties leidt. Patiënte stelt ziekenhuis aansprakelijk. Vervolgens schakelen partijen in overleg deskundige in, waarna patiënte arts aansprakelijk houdt voor gevolgen van perforatie. Hiermee is verjaring gestuit, ook voor zover deze ziet op niet goed uitvoeren van oprekking slokdarm. Voor vordering met betrekking tot verwijderen milt als complicatie van perforatie is geen aparte stuiting vereist.

Gerechtshof Amsterdam 21.4.2009 JA 2009 nr. 158

Zin in brief "indien ik 4 weken na dagtekening van deze brief niet in het bezit ben gesteld van gegevens meen ik ervan uit te mogen gaan dat u de door mijn cliënt geleden (…) schade zelf zult vergoeden. In dat geval kom ik uitgebreid bij u op de zaak terug" is aan te merken als mededeling ex art. 3:317 lid 1 BW. Correspondentie met verzekeraar stuit ook verjaring jegens werkgever, nu werkgever schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gewekt en werknemer ervan mocht uitgaan dat stuitingshandelingen jegens verzekeraar golden als mede tot werkgever gericht.