English

Jurisprudentie

Daad van rechtsvervolging

art. 3:316 BW


HR 2.3.2001 NJ 2001 nr. 304

Een ander dan gerechtigde als bedoeld in art. 3:316 BW kan verjaring rechtsgeldig stuiten.

HR 14.5.2004 NJ 2005 nr. 236 met noot Haak

Vervoerder vraagt verklaring voor recht dat hij niet aansprakelijk is voor schade door diefstal vervoerde zaken. Ladingbelanghebbenden stellen reconventionele vordering in. Deze is echter verjaard. Uit tekst art. 3:316 BW en wetsgeschiedenis volgt dat onder "instellen van eis" moet worden verstaan instellen van eis door schuldeiser. Daaronder valt niet eis wederpartij die ertoe strekt dat in rechte wordt vastgesteld dat door schuldeiser gepretendeerde vordering niet bestaat. Beroep op verjaring is evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Door vervoerder gevraagde verklaring voor recht houdt geen afstand van recht in, aangezien ingevolge art. 3:322 lid 3 BW geen afstand van verjaring kan worden gedaan voordat verjaring is voltooid.

HR 18.9.2009 NJ 2009 nr. 439

Indiening van verzoekschrift tot bevelen van voorlopig deskundigenbericht/getuigenverhoor is niet te beschouwen als instellen van eis of andere daad van rechtsvervolging die ex art. 3:316 BW verjaring stuit. Verzoekschrift kan wel als mededeling in zin van art. 3:317 lid 1 BW worden opgevat. Of dat zo is, moet worden beoordeeld aan hand van tekst, context waarin mededeling wordt gedaan en overige omstandigheden van geval. Indiening van verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht is niet gelijk te stellen met het in onderhandeling treden met verzekeraar in zin van art. 10 lid 5 WAM; het heeft geen stuitende werking in zin van art. 10 lid 4 WAM.

HR 25.6.2010 RvdW 2010 nr. 807

Redelijke uitleg van art. 3:316 lid 2 BW brengt, mede gelet op strekking van bepaling, mee dat niet alleen als ingestelde eis niet tot toewijzing leidt, maar ook als eis aanvankelijk is toegewezen maar arbitraal vonnis nadien wordt vernietigd, verjaring van rechtsvordering slechts is gestuit indien binnen zes maanden nadat vernietiging van arbitrale vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, nieuwe eis wordt ingesteld die vervolgens tot toewijzing leidt. Nu door vernietiging van arbitrale vonnis ingestelde eis uiteindelijk niet is toegewezen, is verjaring niet gestuit.

HR 3.12.2010 NJ 2010 nr. 652

Verkoop van petten, waarvoor ander bedrijf dan verkoper aan koper factuur stuurt. Vordering van facturerend bedrijf tot betaling wordt in rechte afgewezen waarna verkoper meer dan 5 jaar na levering procedure tot betaling van koopprijs start. Hof honoreert beroep koper op verjaring. Hof had echter niet voorbij mogen gaan aan stelling van verkoper dat verjaring van vordering door procedure tussen facturerend bedrijf en koper is gestuit in zin van art. 3:316 BW. Voor dergelijke stuiting is niet vereist dat gerechtigde en ander die van zijde van gerechtigde verjaring stuit vereenzelvigd kunnen worden. Voldoende is dat door ander verrichte stuitingshandelingen aan gerechtigde kunnen worden toegerekend.

LJN BX7846

HR 8.2.2013 LJN BX7846, RvdW 2013 nr. 249

Cliënt stelt bank die hem beleggingsadvies heeft gegeven, aansprakelijk voor verliezen op effectenportefeuille. Cliënt heeft zich meerdere malen bij bank beklaagd over haar dienstverlening en (tevergeefs) klacht ingediend bij Klachtencommissie DSI. Bank is tekortgeschoten in zorgplicht. Bank beroept zich op art. 6:89 en 3:310 BW, maar dit wordt door Hof verworpen. Bij beantwoording vraag of tijdig is geprotesteerd in zin van art. 6:89 BW moet acht worden geslagen op alle relevante omstandigheden. Hiertoe mag mede aard van dienstverlening (vermogens- en beleggingsadvies door bank aan particuliere belegger) worden gerekend en in aanmerking worden genomen dat het gaat om adviesrelatie met bank als bij uitstek deskundige partij, waarbij cliënt in beginsel mag afgaan op haar oordeel. Hof kon oordelen dat cliënt gelet op geruststellende mededelingen van bank niet behoefde te begrijpen dat sprake was van gebrekkig advies, noch reden had voor onderzoek terzake. Verjaring is tijdig gestuit door brief na klachtprocedure. Dat bij Klachtencommissie DSI bindend advies is gevraagd, en verjaring ex art. 3:316 leden 1 en 3 BW in beginsel wordt gestuit zolang op dat verzoek niet is beslist, laat onverlet dat verjaring van rechtsvordering tot nakoming van verbintenis ook kan worden gestuit door schriftelijke mededeling ex art. 3:317 lid 1 BW. Art. 3:316 lid 2 BW moet aldus worden uitgelegd dat niet (tijdig) instellen van nieuwe eis of niet (tijdig) opnieuw vragen van bindend advies niet intreden van verjaring meebrengt, maar slechts tot gevolg heeft dat stuitende werking van eerder ingestelde eis of eerder gedane verzoek komt te vervallen. Arrest Hof blijft in stand.

ECLI:NL:HR:2014:3240

HR 14.11.2014 ECLI:NL:HR:2014:3240

Geschil tussen verzekeraar en vennootschap (assurantietussenpersoon) leidt sinds 1998 tot diverse gerechtelijke procedures. In 1998 wordt verzekeraar bekend met rapport, waaruit blijkt dat bestuurder van vennootschap premiegelden heeft 'weggesluisd'. In 2009 wordt vennootschap in arbitrageprocedure veroordeeld tot schadevergoeding, waarvoor zij geen verhaal biedt. Daarna stelt verzekeraar bestuurder persoonlijk aansprakelijk, die zich op verjaring beroept. Voor beantwoording van vraag of benadeelde daadwerkelijk in staat is rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen, is bepalend of hij voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van betrokken persoon. Daarnaast geldt niet mede eis dat (reeds duidelijk is dat) in te stellen vordering 'voor toewijzing vatbaar is'. Bekendheid met gedragingen van bestuurder in 1998 brengt nog niet mee dat toen ook bekendheid bestond met door verzekeraar gevorderde schade, bestaande uit niet kunnen verhalen van vordering op vennootschap.
Hof kon niet oordelen dat na royement in 1999 van eerdere bodemprocedure tegen bestuurder aan in die procedure ingestelde eis geen stuitende werking toekomt. Indien partijen rechtsgevolgen van royement niet bij overeenkomst hebben geregeld, staat royement op zich niet eraan in weg dat stuiting, aangevangen door instellen van eis in rechte (art. 3:316 BW), voorshands voor onbepaalde tijd doorloopt. Behalve ingevolge in wet voorziene mogelijkheid van regeling tussen partijen, dient te worden aangenomen dat eveneens geen sprake meer is van stuitende werking wanneer gerechtigde afstand heeft gedaan van recht om procedure na royement te hervatten, of wanneer schuldenaar op grond van omstandigheden van geval erop mocht vertrouwen dat bewuste procedure niet meer hervat zou worden.

ECLI:NL:HR:2015:3018

HR 9.10.2015 ECLI:NL:HR:2015:3018, RvdW 2015 nr. 1093

 Collectieve actie over effectenlease-overeenkomst heeft geleid tot WCAM-overeenkomst (Duisenberg-regeling). Afnemer heeft aangegeven niet gebonden te willen zijn aan die regeling. Echtgenote van afnemer heeft effectenlease-overeenkomst vernietigd, waartegen Dexia zich met beroep op verjaring verweert. Prejudiciële vragen over stuitende werking van collectieve actie. Uitbrengen van 'opt-out'-verklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW heeft niet tot gevolg dat belanghebbende zich niet meer op stuitende werking van die actie kan beroepen. Stuitende werking van collectieve vordering in zin van art. 3:305a BW strekt zich uit tot verjaring van op die collectieve actie aansluitende individuele vorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW. Dit leidt er toe dat ook verjaring van bevoegdheid tot uitbrengen van buitengerechtelijke verklaring wordt gestuit. Uitbrengen van buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging in geval van stuiting door collectieve actie wordt voor toepassing van art. 3:316 lid 2 BW op één lijn gesteld met instellen van nieuwe eis. Dergelijke verklaring die wordt uitgebracht voor tijdstip waarop in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, is tijdig uitgebracht.

ECLI:NL:HR:2017:936

HR 19.5.2017 ECLI:NL:HR:2017:936

Vraag of echtgenote, die zich niet heeft aangesloten bij door Stichting Eegalease tegen bank gevoerde collectieve actie, door echtgenoot gesloten effectenleaseovereenkomsten binnen driejarige verjaringstermijn ex art. 3:52 lid 1 sub d BW heeft vernietigd.
Hoge Raad herhaalt eerdere beslissing dat stuitende werking van collectieve actie op voet van art. 3:316 lid 1 BW zich uitstrekt tot verjaring van alle op collectieve actie aansluitende individuele vorderingen van belanghebbenden voor wie rechtspersoon die collectieve actie instelt, opkomt, derhalve ook die tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW (HR 9.10.2015 ECLI:NL:HR:2015:3018). Tot genoemde belanghebbenden behoren ook vorderingsgerechtigden die zich niet bij eisende rechtspersoon (Stichting Eegalease) hebben aangesloten. Hoge Raad beantwoordt vraag op welk moment stuitende werking van collectieve actie is geëindigd. Binnen zes maanden nadat collectieve actie van Stichting Eegalease 'op andere wijze is geëindigd' als bedoeld in art. 3:316 lid 2 BW, te weten nadat uit met collectieve actie bereikte schikking voortvloeiende WCAM-overeenkomst door Hof Amsterdam verbindend is verklaard, diende vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van overeenkomsten te worden ingesteld respectievelijk uitgebracht. Daarmee werd stuitende werking van die WCAM-procedure behouden. Echtgenote heeft haar buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging tijdig uitgebracht, zodat van verjaring geen sprake is.

lagere rechters

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9.9.2008 NJF 2008 nr. 469

Vordering tot vernietiging van bindend advies Klachtencommissie DSI. Bank doet beroep op verjaring. Klager heeft eerder dagvaarding uitgebracht, maar deze is niet ingeschreven. Het enkele niet inschrijven van dagvaarding is niet gelijk te stellen met intrekken van daad van rechtsvervolging in zin van art. 3:316 lid 2 BW. Wel is sprake van niet-toegewezen eis, omdat geding op andere wijze is geëindigd in zin van art. 3:316 lid 2 BW. Verjaring is dan gestuit als binnen zes maanden na eindigen van geding nieuwe eis is ingesteld. Dat is gebeurd, zodat vordering niet is verjaard.