English

Jurisprudentie

Algemeen

HR 15.6.2001 NJ 2002 nr. 336

Bij brand aan gebouw komt asbest dat in dakplaten is verwerkt, terecht in omgeving. Bezitter opstal is niet ex art. 6:174 BW tegenover gemeente aansprakelijk voor kosten van opruiming. Opstal voldeed aan daaraan te stellen eisen. Het is geoorloofd dergelijke opstallen te bezitten en kans op vrijkomen asbesthoudend materiaal was zeer gering. Evenmin is het laten voortbestaan door bezitter van gevaarlijke situatie (door na brand asbest niet te verwijderen) onrechtmatig tegenover gemeente die in uitoefening van haar publieke taak saneringskosten heeft gemaakt.

HR 8.10.2010 NJ 2011 nr. 465 met noot Hartlief, JA 2011 nr. 10 met noot Bast en Valk

Vrouw loopt hoge dwarslaesie op doordat pilaar in tuin waar hangmat aan hing, afbreekt. Zij spreekt haar man (en aansprakelijkheidsverzekeraar) als (mede)bezitter van opstal aan tot schadevergoeding. Aansprakelijkheidsverzekering dekt onderlinge aansprakelijkheid van man en vrouw. Bij beantwoording van principiële vraag of vrouw als medebezitter aanspraak ex art. 6:174 BW jegens man geldend kan maken, dient te worden getoetst aan relativiteitsvereiste. Het gaat erom of recht bescherming behoort te verlenen aan degene die zelf in zekere zin medeverantwoordelijk geacht kan worden voor gebrekkige opstal. In aanmerking genomen dat wetgever aansprakelijkheid tegenover medebezitter niet heeft uitgesloten, hangt te maken keuze af van wat naar maatschappelijke opvattingen, gelet op belangen van benadeelde, bezitter en aansprakelijkheidsverzekeraar, meest redelijk moet worden geacht. Keuze valt uit ten gunste van standpunt vrouw omdat beschermingsgedachte van art. 6:174 BW ook opgaat voor benadeelde medebezitter die zwaarwegend belang heeft. Dat aanspraak zich binnen samenlevingsverband afspeelt, vormt geen reden om aanspraak van medebezitter niet te honoreren. Ook speelt rol dat bezitters van opstal zich plegen te verzekeren tegen risico's van opstalaansprakelijkheid. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat benadeelde medebezitter zelf dat gedeelte van door hem geleden schade draagt dat overeenkomt met zijn aandeel in opstal. Nu man en vrouw elk voor 50% aandeel in opstal hebben, is man voor 50% aansprakelijk. Slechts als aan zijde van vrouw ook andere omstandigheden aan ontstaan van schade zouden hebben bijgedragen, zoals eigen nalatigheid of onachtzaamheid (in grotere mate dan van man), kan schade ex art. 6:101 BW geheel of voor meer dan 50% voor haar eigen rekening blijven.

HR 17.12.2010 NJ 2012 nr. 155 met noot Hartlief, RAV 2011 nr. 25, JA 2011 nr. 37, VR 2012 nr. 72

Gemeente vordert ex art. 6:174 BW van Hoogheemraadschap vergoeding van schade als gevolg van dijkdoorbraak in Wilnis. Uit (ruime) definitie van begrip opstal in art. 6:174 lid 4 BW volgt dat daarvoor menselijk ingrijpen is vereist dat heeft bijgedragen aan (duurzame) bestemming of functie van (bouw)werk. Veendijk is opstal. Hoge Raad formuleert gezichtspunten die aansprakelijkheid van art. 6:174 BW begrenzen. Bij antwoord op vraag of opstal voldoet aan eisen die men daaraan in gegeven omstandigheden mag stellen, komt het aan op (naar objectieve maatstaven te beantwoorden) vraag of opstal, gelet op te verwachten gebruik of bestemming daarvan, met oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is. Daarbij is ook van belang hoe groot kans op verwezenlijking van gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Rekening moet worden gehouden met verschillende in arrest weergegeven factoren. Enkele kadeverschuiving zal in algemeen voldoende zijn voor aannemen vermoeden dat dijk niet aan eisen voldeed, behoudens door bezitter te leveren tegenbewijs. Bij beoordeling of kade gebrekkig was, komt anders dan Hof heeft geoordeeld ook betekenis toe aan toenmalige kennis over faalmechanismen en toenmalige maatstaven voor belastingsituaties, toenmalige stand van wetenschap en techniek, financiële kaders waarbinnen Hoogheemraadschap beleidsdoelstellingen tracht te realiseren en (gestelde) specifieke en uitzonderlijke omstandigheden waaronder verschuiving zich heeft voorgedaan. Zie voor vervolg Gerechtshof 's-Gravenhage 17.4.2012 NJF 2012 nr. 279: van nalatigheid van Hoogheemraadschap is slechts sprake als het in vergelijking met soortgelijke overheidslichamen "beneden de maat is gebleven". Volgt nadere bewijslevering.

LJN BX7487

HR 30.11.2012 LJN BX7487, NJ 2012 nr. 689, JA 2013 nr. 4 met noot Brens

Bewoners houden gemeente aansprakelijk voor schade aan houten funderingen van huizen door lekkende riolering. Voor aansprakelijkheid ex art. 6:174 BW is vereist dat opstal gebrekkig is, daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert en dat gevaar zich verwezenlijkt. Eiser moet dit stellen en bewijzen. Bezitter van opstal kan ermee volstaan deze drie cumulatieve voorwaarden voor aansprakelijkheid te betwisten of hij kan bevrijdende verweer voeren dat ook als aan voorwaarden is voldaan, hij niet aansprakelijk is omdat aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW zou hebben ontbroken als hij gevaar op tijdstip van ontstaan ervan zou hebben gekend (tenzijclausule). Stelplicht en bewijslast van dit laatste rusten op bezitter van opstal. Feitenrechter mag uitsluitend beoordelen of beroep op tenzijclausule slaagt en zo ja, op die grond vordering afwijzen. Daarbij dient hij veronderstellenderwijs ervan uit te gaan dat aan voorwaarden van art. 6:174 lid 1 BW is voldaan en bezitter gevaar op tijdstip van ontstaan ervan kende. Uit feit dat riolering, doordat deze lek was en daardoor drainerende werking had, gevaar opleverde voor fundering van huizen volgt nog niet dat riolering gebrekkig was. Gemeente heeft, nadat zij van funderingsproblematiek wist, zich voldoende ingespannen en juiste prioriteiten gesteld. Riolering was dus niet gebrekkig in zin van art. 6:174 BW en gemeente heeft evenmin onrechtmatig gehandeld jegens bewoners.

lagere rechters

Gerechtshof Leeuwarden 21.8.2002 VR 2003 nr. 7

Klant supermarkt stelt te zijn uitgegleden over stuk bladgroente en daardoor ten val te zijn gekomen. Zelfs indien toedracht val zou komen vast te staan, dan nog is exploitant supermarkt niet aansprakelijk omdat deze voldoende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van dergelijke ongevallen. Vloer werd op gezette tijden en frequent geveegd. In redelijkheid kan niet worden verwacht dat op elke selfservice afdeling "groente en fruit" een of meerdere medewerkers worden belast met uitsluitend voorkomen van ongevallen. Uit deskundigenonderzoek volgt dat dubbelhard gebakken ongeglazuurde vloertegels onder normale omstandigheden voldoende stroeve vloer opleveren en dat antislipmatten geen bruikbaar alternatief vormen. Niet-verwijderd groenteafval maakt opstal ook niet gebrekkig in zin van art. 6:174 BW.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16.11.2004 NJF 2005 nr. 355

Gemeente als eigenaar boom niet aansprakelijk jegens eigenaar woonhuis voor zaakschade ontstaan door doorschietende wortels. Risicoaansprakelijkheid van art. 6:174 BW geldt niet voor bomen.

Gerechtshof Arnhem 4.1.2005 NJF 2005 nr. 209

11-jarig kind valt tijdens spelen door glazen afscheidingswand kerkgebouw en raakt gewond. Zijn ouders spreken eigenaar kerkgebouw aan. Bij art. 6:174 lid 1 BW gaat het om vraag of opstal voldoet aan eisen die men daaraan in redelijkheid mag stellen; of opstal voldoet aan wettelijke (bouwkundige) eis inzake veiligheid is niet doorslaggevend. Ruit voldeed niet aan eisen die men daaraan in gegeven omstandigheden mocht stellen omdat ruit niet bestand was tegen kracht waarmee persoon ruit kan raken. Omstandigheid dat opstal kerkgebouw betreft, doet aan aansprakelijkheid niet af. Dat kind wellicht bij glazen wand karatetrap heeft uitgevoerd, betekent niet dat hij verwachtingspatroon kerkbestuur omtrent wijze waarop bezoekers zich zullen gedragen te buiten is gegaan. Causale bijdrage kind aan ontstaan schade is 50% vanwege zijn gedragingen in buurt van glazen wand, maar in kader billijkheidscorrectie wordt een verdeling 100-0 in voordeel kind aangenomen. Dat kerk niet tegen aansprakelijkheid verzekerd was, leidt niet tot andere causale verdeling.

Gerechtshof Arnhem 9.5.2006 VR 2007 nr. 26

Bezoeker zorgcentrum komt ten val op glad geworden vloer door gelekte vloeistof. Slachtoffer stelt zorgcentrum aansprakelijk ex art. 6:174 BW subsidiair art. 6:162 BW. Vloer is niet gebrekkig als bedoeld in art. 6:174 BW, nu gladheid is gelegen in tijdelijke aanwezigheid van substantie op vloer die daarop niet thuis hoort en niet in gebrekkige eigenschappen vloer zelf. Zorgcentrum ook niet aansprakelijk ex art. 6:162 BW. Waarschijnlijkheid van letselschade als gevolg van niet waarschuwen of niet controleren van uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden was niet zo groot dat zorgcentrum, mede gelet op kosten en ongebruikelijkheid van waarschuwing of controle in situatie als onderhavige, onrechtmatig heeft gehandeld door van waarschuwing of controle af te zien.

Rechtbank Groningen 5.9.2007 JA 2007 nr. 167, NJF 2008 nr. 41, VR 2008 nr. 77

Bezoeker bar/dancing valt over laag hekwerk op negen meter daaronder gelegen dansvloer. Bedrijfsmatige gebruiker opstal ex art. 6:174 jo 6:181 BW aansprakelijk. Enkele feit dat opstal voldoet aan eisen Bouwbesluit disculpeert niet nu Bouwbesluit slechts algemene veiligheidsvoorschriften geeft. Gelet op feit dat bar/dancing publieke ruimte is waarvan bezoekers niet altijd normale voorzichtigheid zullen betrachten en onder invloed van alcohol kunnen zijn, voldeed hekwerk als valbeveiliging niet aan veiligheidseisen. Verhogen hekwerk was niet bezwaarlijk geweest. Eigen schuld bezoeker nu deze bekend was met situatie ter plekke maar onvoldoende voorzichtigheid en oplettendheid betrachtte.

Rechtbank 's-Hertogenbosch 26.9.2007 JA 2008 nr. 46

Asbestvervuiling van omgeving na brand supermarkt. Aanwezigheid van koelinstallaties in samenhang met exploitatie van supermarkt leveren niet zodanig verhoogd brandgevaar op dat aanwezigheid van asbesthoudende golfplaten als onveilig moet worden beschouwd. Dakbedekking voldeed aan wettelijke eisen of andere voorschriften. Geen sprake van gebrekkige opstal.

Rechtbank Maastricht 26.9.2007 JA 2007 nr. 178

Bij herstelwerkzaamheden die Essent op basis van door haar ingewonnen advies van Kema door aannemer laat verrichten aan beschadigde hoogspanningsmast, valt deze om en doorboort pijpleiding van Staat. Oorzaak omvallen mast is onjuiste door Essent aan Kema verstrekte gegevens omtrent stabiliteit mast. Essent is ex art. 6:174 BW jegens Staat aansprakelijk. Dat ook schade is ontstaan door uitstroom van kerosine uit pijpleiding leidt er niet toe dat ex art. 6:175 BW alleen Staat als houder van gevaarlijke stof aansprakelijk is. Wetgever heeft met kanalisering van risicoaansprakelijkheid ex art. 6:174 BW e.v. niet beoogd dat benadeelde, indien zich in causale keten meerdere schadeveroorzakende gebeurtenissen hebben voorgedaan en daarvoor verschillende personen aansprakelijk kunnen worden gehouden, alleen laatste in causale keten kan aanspreken.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13.5.2008 JA 2008 nr. 134

Chauffeur komt tijdens tanken van bestelauto ten val bij onbemand tankstation en loopt letsel op. Hij stelt exploitant tankstation aansprakelijk, want val zou komen door olie op vloer tankstation. Bij onbemand station kunnen geen permanente schoonmaak en controle verwacht worden. Daar kan wat vaker iets op vloer komen, maar daar moeten chauffeurs op bedacht zijn. Exploitant heeft aan zorgplicht voldaan door minimaal een keer per week en bij ernstige verontreiniging schoon te maken.

Rechtbank Leeuwarden 12.8.2009 JA 2009 nr. 134

Lerares stelt whiplash te hebben opgelopen toen zij in pretpark met bootje van glijbaan afging en bootje abrupt tot stilstand kwam. Lerares heeft onvoldoende gesteld voor aansprakelijkheid van exploitant pretpark uit onrechtmatige daad. Van aansprakelijkheid ex art. 6:174 BW is evenmin sprake. Enkele feit dat opstal verhoogde kans op schade oplevert, is onvoldoende om aan te nemen dat opstal gebrekkig is. Bovendien is glijbaan geïnspecteerd en goedgekeurd en heeft zich niet eerder dergelijk ongeval voorgedaan.