English

Jurisprudentie

Rechtmatige overheidsdaad

HR 17.9.2004 NJ 2005 nr. 392 met noot Vranken

Bij huiszoeking heeft ander dan verdachte schade aan eigendommen opgelopen. Ook indien overheidshandeling op zichzelf niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt, is overheid op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor gevolgen die buiten normale maatschappelijk risico of normale bedrijfsrisico vallen en die op beperkte groep burgers of instellingen drukken (vgl. HR 30.3.2001 NJ 2003 nr. 615 met noot Scheltema, niet opgenomen). Enig ongemak of gering tijdsverlies is niet onevenredig. Onderhavige schade behoort niet tot maatschappelijk risico van ander dan verdachte, zodat overheid in beginsel gehouden is schade op grond van onrechtmatige daad te vergoeden. Toch 50% eigen schuld omdat verdachte bij schadelijdende partij (haar tante) in huis woonde, hetgeen voor haar rekening komt.

HR 2.10.2009 NJ 2010 nr. 95 met noot Du Perron, JA 2009 nr. 164

Sociale verhuurder vordert van Staat vergoeding van bij strafvorderlijk optreden aan huurwoningen toegebrachte schade. Strafvorderlijk optreden is ook jegens verhuurder rechtmatig, maar daarbij toebrengen van schade kan onrechtmatig zijn. Onderhavige schade behoort niet tot normale maatschappelijke risico of normale bedrijfsrisico van verhuurder. Dat verhuurder grootschalige bedrijfsmatige verhuurder is, maakt dit niet anders temeer nu het hier aanzienlijke schade betrof. Omstandigheid dat verhuurder schade kan verhalen op betrokken huurders staat niet aan aansprakelijkheid Staat in weg (vgl. HR 30.3.2001 NJ 2003 nr. 615, niet opgenomen).

ECLI:NL:HR:2013:BZ7397

HR 12.7.2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ7397, RvdW 2013 nr. 880

In kader van strafrechtelijk onderzoek naar grondeigenaar worden bij doorzoeking hennepplanten van hennepteler in beslag genomen en later vernietigd. Tegen hennepteler ingestelde strafvervolging leidt niet tot veroordeling. Teler stelt dat Staat onrechtmatig heeft gehandeld, omdat ten aanzien van hem onvoldoende grond voor verdenking van strafbaar feit bestond. Hij beroept zich daarbij op schending van égalitébeginsel. Teler moet als gewezen verdachte en niet als derde worden beschouwd. Verdenking is eerst na toepassing van strafvorderlijk dwangmiddel ontstaan, maar is gebaseerd op gedragingen die hij daarvoor heeft verricht en die aanleiding zijn geweest tot toepassing daarvan. In die situatie behoren gevolgen van strafvorderlijk optreden tot normale maatschappelijke risico van gewezen verdachte. Égalitébeginsel biedt geen rechtvaardiging voor aansprakelijkheid van Staat.

ECLI:NL:HR:2013:BZ7396

HR 13.9.2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ7396, RvdW 2013 nr. 1115

Gezinsleden van verdachte vorderen schadevergoeding van Staat vanwege toepassing van strafvorderlijke dwangmaatregelen. Hof heeft miskend dat omstandigheid dat benadeelden levenspartner en minderjarige kind van verdachte zijn en intieme band tussen hen bestaat, niet rechtvaardigt dat schade voor risico van benadeelden blijft. Ook ten aanzien van levenspartner en inwonende kind van verdachte moet aan hand van in HR 30.3.2001 NJ 2003 nr. 615 (niet opgenomen) en HR 17.9.2004 NJ 2005 nr. 392 weergegeven maatstaven worden beoordeeld of en, zo ja, in hoeverre op overheid vergoedingsplicht rust voor schadelijke gevolgen van strafvorderlijk optreden.

ECLI:NL:HR:2017:2789

HR 27.10.2017 ECLI:NL:HR:2017:2789

Eigenaar van verhuurde bedrijfsruimte vordert van Staat vergoeding van schade, die door politie is toegebracht bij binnentreden in gehuurde. Aan orde is of vergoedingsplicht van Staat ex art. 6:101 BW moet worden verminderd. Bij schade die is toegebracht aan zaak die derde voor benadeelde in zijn macht had, worden op grond van art. 6:101 lid 2 BW omstandigheden die aan derde (huurder) toegerekend kunnen worden, toegerekend aan benadeelde (eigenaar). Overheid is in beginsel gehouden schade die bij rechtmatig strafvorderlijk optreden is veroorzaakt aan zaken van ander dan verdachte en niet tot normale maatschappelijke risico of normale bedrijfsrisico van ander hoort, te vergoeden. Daarmee verdraagt zich niet toerekeningsregel van art. 6:101 lid 2 BW. Deze moet buiten toepassing blijven in dit soort gevallen.