English

Jurisprudentie

Algemeen

HR 9.10.1981 NJ 1982 nr. 332 met noot Brunner

Regenwater kan niet afvloeien omdat sloot niet voldoende is geschoond, waardoor gewas van aardappelteler wordt aangetast. Hoe ver onderhoudsplicht Waterschap gaat ter voorkoming van onderwaterlopen van laag gelegen gronden hangt af van aantal factoren, in bijzonder:

HR 9.11.2001 NJ 2002 nr. 446 met noot Brunner

Plantenteler houdt Waterschap aansprakelijk voor verlies van oogsten als gevolg van wateroverlast. Waterschap is verantwoordelijk voor grondwaterpeil en mag niet geacht worden aan zijn verplichtingen te hebben voldaan als het zich heeft gehouden aan grondwaterpeil zoals vastgesteld in Peilbesluit. Waterschap behoeft niet steeds uit eigen beweging te onderzoeken of een land last heeft van te hoge of te lage waterstand. Aanhouden van peil boven vastgelegde zomerpeil en onderhoudstoestand van watergangen waren niet van dien aard dat Waterschap verplicht was preventief maatregelen te nemen. Hof heeft zijn oordeel dat Waterschap niet aansprakelijk is echter onvoldoende gemotiveerd door geen aandacht te besteden aan stelling teler dat Waterschap niet adequaat heeft gereageerd op klachten. Hoewel Waterschap zekere mate van beleidsvrijheid toekomt (vgl. HR 8.1.1999 NJ 199 nr. 319 met noot Bloembergen, niet opgenomen), gaat die vrijheid niet zo ver dat optreden Waterschap slechts marginaal mag worden getoetst. Zie voor vervolg Gerechtshof Amsterdam 12.1.2006 NJ 2006 nr. 266: hoewel Waterschap wist dat teler oogstschade kon lijden, heeft het onvoldoende lang water weggepompt. Waterschap in beginsel aansprakelijk, maar teler dient causaal verband met zijn schade nog te bewijzen.

HR 14.6.2002 NJ 2004 nr. 127 met noot Kleijn

Gemeente die grond verkoopt met bouwplicht en schone grond verklaring, wetende dat die grond in percelen zal worden doorverkocht aan toekomstige bewoners, handelt jegens die toekomstige bewoners onrechtmatig wanneer grond in werkelijkheid verontreinigd is. Daarbij doet niet terzake of gemeente van verontreiniging op hoogte was of moest zijn.

HR 28.5.2004 NJ 2006 nr. 430 met noot Vranken

Vrouw spreekt Staat aan tot schadevergoeding als gevolg van onzedelijke handelingen en afpersing door TBS-gestelde tijdens hem verleend onbegeleid verlof. Aan beslissing om TBS-gestelde onbegeleid verlof te verlenen – waarop hij volgens destijds geldende regels binnen zekere grenzen aanspraak had indien verlof verantwoord was - diende zorgvuldige beoordeling van nog bestaande ernst van stoornis en van daaruit eventueel voortvloeiende gevaarlijkheid vooraf te gaan. Afweging noodzakelijk dat enerzijds geen zekerheid kan worden verlangd dat TBS-gestelde geen enkel gevaar zal kunnen betekenen en anderzijds dat redelijk gefundeerde verwachting behoort te bestaan dat dit gevaar zodanig beperkt is dat verlof verantwoord is. Alleen indien komt vast te staan dat Staat niet tot verlenen onbegeleid verlof had mogen besluiten in verband met, gelet op hiervoor vermelde maatstaf, nog steeds bestaande en onaanvaardbare risico dat TBS-gestelde door zijn stoornis gevaar voor persoon of goederen van anderen zou kunnen opleveren, kan van onzorgvuldigheid Staat worden gesproken. Daarvan is in casu geen sprake.

HR 9.7.2004 NJ 2005 nr. 391 met noot Vranken

Bij ongeregeldheden belaagt groep van circa 65 jongeren woning gezin en brengt daaraan vernielingen aan. Gezin blijft bijna vijf uur lang van politiehulp verstoken. Aansprakelijkheid gemeente ex art. 6:170 lid 1 BW op grond van feit dat politieambtenaren in (niet-)uitoefening van hun werkzaamheden, die mede handhaving van openbare orde betroffen, onder gezag van burgemeester als orgaan gemeente stonden. Draagplicht zal in geval waarin burgemeester geen onjuiste aanwijzingen heeft gegeven, in beginsel echter bij politieregio liggen (vgl. HR 25.9.1992 NJ 1994 nr. 767, niet opgenomen). Gezin is aangetast in persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW op grond van aard en ernst van nalatigheid politie, die leidde tot zeer ernstige inbreuk op integriteit persoon en veiligheid woning. Daarvoor is niet nodig dat ook psychische schade is vastgesteld. Geen toewijzing immateriële schadevergoeding aan niet in woning aanwezige zoon, aangezien enkele feit dat iemands woning is belaagd, niet meebrengt dat deze is aangetast in zijn persoon.

HR 11.3.2005 NJ 2005 nr. 170

Eigenaar vraagt subsidie aan voor verbetering van beweerdelijk door hem verhuurd woonhuis, waarin hij evenwel zelf ook woont. Gemeente zegt bij beschikking onder voorbehoud bedrag toe. Gemeente verzuimt vervolgens tijdig aan eigenaar te melden dat lager bedrag zal worden uitgekeerd, waarna eigenaar in geldproblemen komt. Hof heeft gemeente aansprakelijk geoordeeld doch eveneens beroep gemeente op eigen schuld eigenaar wegens onjuiste informatievertrekking gehonoreerd. In cassatie staat formele rechtskracht beschikking centraal. Regel van formele rechtskracht noch regel dat bestuursorgaan in algemeen gehouden mag worden aan eigen beschikking, staat aan honoreren beroep op eigen schuld in de weg.

HR 13.7.2007 JA 2007 nr. 149 met noot Brens

B&W van gemeente verleent bouwvergunning aan eigenaar perceel waaronder aardgasleiding loopt zonder, conform planvoorschriften bestemmingsplan, advies van leidingbeheerder in te winnen. Nadien concludeert leidingbeheerder dat bouw vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is, waarna deze leiding na overleg met gemeente omlegt. Leidingbeheerder stelt gemeente aansprakelijk voor daarmee verband houdende kosten. Gemeente jegens leidingbeheerder aansprakelijk. Ook diens belang is begrepen onder planvoorschriften die omwonenden en gebruikers van gebouwen en terreinen rond aardgastransportleidingen beogen te beschermen. Dat door leidingbeheerder geen rechtsmiddel is ingesteld tegen besluit B&W gemeente tot verlenen vergunning, staat niet in de weg aan civielrechtelijke aansprakelijkheid gemeente: feit dat leidingbeheerder door gemeente ten onrechte niet op hoogte is gesteld van voornemen tot verlenen vergunning, rechtvaardigt uitzondering op formele rechtskracht.

HR 22.6.2010 NJ 2010 nr. 371, RAV 2010 nr. 85

Tussen in financiële nood verkerende voetbalclub Vitesse en onder meer leden van Gedeputeerde Staten Gelderland is overlegd over huurprijsverlaging voor stadion. Op basis van toezegging hieromtrent door gedeputeerden wordt licentie voor betaald voetbal aan Vitesse verleend. Voorstel Gedeputeerde Staten sneuvelt in Provinciale Staten en Provincie doet niet mee met herfinanciering stadion. Vitesse vordert met succes schadevergoeding van Provincie wegens niet-nakomen van bindende toezegging. Gedragingen van gedeputeerden kunnen onrechtmatige daad Provincie opleveren mits deze in maatschappelijk verkeer als gedragingen van Provincie hebben te gelden. Op grond van Provinciewet waren gedeputeerden niet bevoegd Provincie te binden; slechts onder bijzondere omstandigheden kan geoordeeld worden dat Provincie onrechtmatig handelde. Oordeel Hof dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet onjuist.

HR 9.7.2010 RvdW 2010 nr. 898, RAV 2010 nr. 97, JA 2011 nr. 5 met noot Van der Zalm en Poutsma onder JA 2011 nr. 7

Verzekeraars hebben schade als gevolg van vuurwerkramp Enschede aan bedrijfscomplex van bierbrouwerij uitgekeerd en zoeken hiervoor verhaal op Staat. Staat zou onrechtmatig hebben gehandeld door na rapport van TNO over vuurwerkexplosie in Culemborg geen effectieve maatregelen te treffen tegen Staat bekende dreiging van massa-explosie nabij woningen en bedrijven. Voor standpunt verzekeraars dat Staat, gelet op ernst van mogelijke effecten, geen enkele kans op massa-explosie met onaanvaardbare schadelijke gevolgen voor omgeving mocht laten bestaan, bestaat geen rechtsgrond. Schending van plicht effectieve veiligheidsmaatregelen te nemen leidt ook tot aansprakelijkheid als gevaar zich realiseert op wijze of met gevolgen die dader niet kende, als verwezenlijking van dat gevaar zou zijn voorkomen door voor bekende risico's maatregelen te treffen. Staat heeft plicht veiligheidsmaatregelen ter vermijding van hem bekende gevaren echter niet geschonden. Stelling dat Staat op basis van Kelderluikcriteria (HR 5.11.1965 NJ 1966 nr. 136 met noot Scholten) gehouden was vuurwerkbedrijven in bebouwde omgeving te verbieden, heeft Hof op begrijpelijke gronden verworpen. Aanbod tot nader getuigenbewijs kon als onvoldoende gespecificeerd worden gepasseerd. Vordering van verzekeraars afgewezen.

HR 22.10.2010 NJ 2011 nr. 6, JA 2011 nr. 6 met noot Brens

Enkele omstandigheid dat bestuursorgaan besluit neemt met overschrijding van wettelijke beslistermijn, is onvoldoende voor oordeel dat aldus onrechtmatig wordt gehandeld ex art. 6:162 BW. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn mate waarin beslistermijn wordt overschreden, oorzaak of oorzaken van termijnoverschrijding en voor bestuursorgaan kenbare belangen van betrokken belanghebbenden. Hof heeft kunnen oordelen dat gemeente in gegeven omstandigheden jegens projectontwikkelaar onrechtmatig heeft gehandeld door pas 29 weken na verstrijken van beslistermijn van zes weken te beslissen op bezwaar van bezwaarmakers en dat overtreden norm mede strekt tot bescherming tegen vertragingsschade zoals door projectontwikkelaar geleden.

HR 20.4.2012 NJ 2012 nr. 262

Staat heeft niet onrechtmatig gehandeld door gegevens uit strafdossier over illegale dump van afvalstoffen in Ivoorkust toe te zenden aan Britse advocaat ten behoeve van door slachtoffers in Verenigd Koninkrijk gestarte civiele procedure. Verstrekking was in overeenstemming met Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten strafrechtspleging gelegen doeleinden.

HR 25.5.2012 NJ 2012 nr. 340

Antwoord op vraag of gemeente onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt aan belanghebbende in reactie op door deze gedaan verzoek over mogelijkheden die regelgeving (bestemmingsplan) belanghebbende biedt en of gemeente om die reden onrechtmatig heeft gehandeld, hangt af van omstandigheden van geval, waaronder inhoud van verzoek en hetgeen gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, aard en inhoud van door gemeente gegeven antwoord en hetgeen belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen. Pas als belanghebbende redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor oordeel dat verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens belanghebbende en gemeente aansprakelijk is doordat belanghebbende hierdoor op verkeerde been is gezet.

HR 25.5.2012 RvdW 2012 nr. 762

Chipshol-zaak. Zelfstandig bestuursorgaan Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) heeft eerst negatief geadviseerd over bouwplannen van Chipshol en later positief. Onjuiste mededelingen van LVNL worden in verhouding tussen LVNL en derdebelanghebbende Chipshol niet 'gedekt' door formele rechtskracht van op die mededelingen gebaseerde bestuursbesluiten. LVNL is niet bestuursorgaan dat die besluiten nam en maakt ook geen deel uit van dat orgaan. Zij was onafhankelijke deskundige en trad als zodanig op in directe overleg met Chipshol. Wettelijke taak van LVNL om overheden te adviseren sluit niet uit dat zij onder omstandigheden jegens derden wier belangen zijn betrokken bij advisering van LVNL onrechtmatig handelt door onjuiste inlichtingen te verschaffen.

LJN BW7505

HR 12.10.2012 LJN BW7505, NJ 2013 nr. 98 met noot Mok

Na brand op haar bedrijfsterrein geeft Chemie-Pack, na sommatie door gemeente, bedrijf opdracht om verontreinigd bluswater te verwijderen waarbij maximumprijs aan werkzaamheden wordt gesteld. Kosten van opslag en reiniging komen boven maximum. Bedrijf vordert in kort geding van (Chemie-Pack en) gemeente betaling van die meerkosten. Oordeel Hof dat gemeente onrechtmatig jegens bedrijf heeft gehandeld, wordt gecasseerd. Zo gemeente al handhavend kon optreden jegens Chemie-Pack houdt dat niet in dat gemeente kon bewerkstelligen dat Chemie-Pack voor verdere opslag van bluswater bedrijf diende in te schakelen en meerkosten diende te vergoeden. Indien gemeente zelf tot treffen maatregelen was overgegaan, was zij niet gehouden vervolgopdracht aan bedrijf te gunnen. Aan bestuursorgaan komt grote beleidsvrijheid toe bij bepaling van wijze waarop toepassing aan aangezegde bestuursdwang wordt gegeven. Met werkzaamheden van bedrijf gemoeide milieubelang rechtvaardigt niet zonder meer dat gemeente opslagkosten voor haar rekening moet nemen.

ECLI:NL:HR:2013:BZ9225

HR 6.9.2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ9225, RvdW 2013 nr. 1037

Staat is aansprakelijk voor schade die voor Dutchbat werkzame tolk heeft geleden door dood van zijn vader en broer. Na val van Srebrenica zijn zij door Dutchbat van compound weggestuurd, waarna zij door Bosnisch-Servische leger of aanverwante paramilitaire groepen zijn vermoord. Verenigde Naties hadden leiding over vredesmissie, maar dat neemt niet weg dat verweten optreden van Dutchbat naar internationaal recht ook aan Staat kan worden toegerekend. Staat had daarover effective control. Naar nationaal recht van Bosnië-Herzegovina heeft Staat onrechtmatig gehandeld door te bewerkstelligen dat broer compound verliet en hem niet mee te nemen naar veilig gebied, waardoor hij dood heeft gevonden. Ten overvloede wordt overwogen dat optreden van Dutchbat kan worden getoetst aan rechtsbeginselen die besloten liggen in art. 2 en 3 EVRM en art. 6 en 7 IVBPR (recht op leven en verbod op onmenselijke behandeling). Voor terughoudende toetsing bestaat geen grond. Bij beoordeling achteraf dient rechter te verdisconteren dat het hier gaat om onder grote druk in oorlogssituatie genomen beslissingen. Hof heeft dit niet miskend.
Zie ook HR 6.9.2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ9228, RvdW 2013 nr. 1036, waarin Staat aansprakelijk is voor dood van op compound werkzame elektricien die met zijn gezin compound moest verlaten.

ECLI:NL:HR:2013:1456

HR 29.11.2013 ECLI:NL:HR:2013:1456, NJ 2014 nr. 8

Eisers vorderen van gemeente op grond van onrechtmatige daad vergoeding van in bestuursrechtelijke bezwaarfase gemaakte proceskosten en immateriële schade. Hof acht burgerlijke rechter bevoegd om over vordering te oordelen en wijst deze af. HR ziet bevoegdheid anders, maar middel kan niet tot cassatie leiden. Met art. 8:75 lid 1 Awb is beoogd oordeel over vergoeding van kosten van bestuursrechtelijke bezwaar- of beroepsprocedure bij uitsluiting op te dragen aan bestuursrechter. Bestuursrechter kan ex art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht "in bijzondere gevallen" hogere dan forfaitaire vergoeding van die kosten toekennen. Daarvoor kan onder meer aanleiding zijn indien bestuursorgaan tegen beter weten in onjuist standpunt heeft gehandhaafd. Voor aanvullende rechtsbescherming door burgerlijke rechter is geen plaats, tenzij aanspraak betreft die belanghebbende redelijkerwijs niet op voet van art. 8:75 Awb aan bestuursrechter heeft kunnen voorleggen.

ECLI:NL:HR:2014:1212

HR 23.5.2014 ECLI:NL:HR:2014:1212, RvdW 2014 nr. 749

Op basis van advies van Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur worden vergunningen voor exploitatie van prostitutie-inrichtingen ingetrokken. Negatief advies blijkt onvoldoende onderbouwd en intrekkingsbesluit wordt vernietigd. Eigenaar van panden vordert schadevergoeding van gemeente en Staat, waar Bureau onderdeel van is. Bureau handelt onrechtmatig indien het bij uitoefening van wettelijke taak, in bijzonder bij uitbrengen van advies, niet zorgvuldigheid in acht neemt die in maatschappelijk verkeer jegens betrokkene betaamt. Voor aansprakelijkheid van Staat geldt hier geen strengere maatstaf. Bij beoordeling van causaal verband is niet beslissend of gestelde schade, bestaande uit gemaakte kosten van fiscaal en juridisch advies in bestuursrechtelijke procedures, mede gevolg is van handelen van burgemeester. Onderzocht moet worden of schade kan worden toegerekend aan Bureau en daarmee aan Staat. Proceskostenveroordeling van art. 8:75 Awb staat er niet aan in weg dat procespartij aanspraak kan maken op schadevergoeding (ex art. 6:96 lid 2 BW) jegens hoofdelijk aansprakelijke derde, die geen partij is in bestuursrechtelijke procedure. Vergoeding ex art. 8:75 Awb komt wel in mindering op eventuele schadevergoedingsplicht van Staat met betrekking tot dezelfde kosten.

ECLI:NL:HR:2014:3037

HR 31.10.2014 ECLI:NL:HR:2014:3037, NJ 2014 nr. 509, JA 2015 nr. 8

Staat heeft onrechtmatig gehandeld door op website mee te delen dat ESF-3 subsidieloket met onmiddellijke ingang was gesloten en niet meer mogelijk was om aanvraag voor ESF-subsidie in te dienen, terwijl besluit loket te sluiten pas vier dagen later in werking trad. Organisatie die niet zelf subsidie mocht aanvragen maar wel begunstigde was (materiële aanvrager), vordert schadevergoeding. Naar oordeel Hof waren mededelingen op website niet alleen gericht tot formele aanvragers als stichting die subsidieaanvraag had ingediend, maar ook tot organisatie als materiële aanvrager. Nu belang van organisatie primair was betrokken bij (beslissing op) aanvraag, heeft Staat door doen van mededelingen jegens (ook) organisatie zorgvuldigheidsnorm kunnen schenden. Dit oordeel vindt voldoende steun in overwegingen van Hof dat Staat mededelingen op openbaar toegankelijke website had geplaatst en dat Staat erop bedacht diende te zijn dat achter formele aanvrager partijen als organisatie stonden. In voldoende mate is komen vast te staan dat aanvraag tijdig zou zijn ingediend bij achterwege blijven van gewraakte mededelingen. Vordering toegewezen.

ECLI:NL:HR:2015:37

HR 9.1.2015 ECLI:NL:HR:2015:37

Gemeente heeft complex gekocht, waarvan bodem ernstig is vervuild en moet worden gesaneerd. Gemeente vordert onder meer op grond van onrechtmatige daad vergoeding van onderzoeks- en saneringskosten betreffende omliggende terreinen die haar eigendom zijn. Naar oordeel Hof valt niet in te zien dat gemeente als eigenaar van deze terreinen bedoelde kosten heeft gemaakt en dus enige schade zal lijden. Deze gedachtegang is onvoldoende inzichtelijk. Aannemelijk is dat grondeigenaar in zo'n situatie schade zal lijden. Regeling van art. 75 Wet bodembescherming laat ook onverlet dat overheidslichaam uit onrechtmatige daad vergoeding kan vorderen van schade die het in hoedanigheid van grondeigenaar lijdt wegens kosten van onderzoek en sanering. Volgt vernietiging.

ECLI:NL:HR:2015:2845

HR 25.9.2015 ECLI:NL:HR:2015:2845

Aannemer verricht voor Staat schoonmaakwerkzaamheden in sluis. Tijdens verlagen van waterpeil komt daarbij gebruikte vlet vast te zitten op sluisdrempel. Deze kantelt en zinkt. Verzekeraar van vlet spreek Staat aan voor verlies van vlet. Hof oordeelt op basis van Kelderluikcriteria dat Staat als beheerder van sluis jegens eigenaar van vlet in strijd heeft gehandeld met zorgplicht door onvoldoende toezicht te houden tijdens uitvoering van werkzaamheden. Ongeval had voorkomen kunnen worden door bewaken van ligging van vlet en op juiste wijze laten vieren van touwen. Schipper heeft 50% eigen schuld, omdat hij zelf ook verantwoordelijk is voor veiligheid en aannemer deskundig is op gebied van werkzaamheden in sluizen en al eerder in betreffende sluis had gewerkt. Hoge Raad doet zaak af op art. 81 lid 1 RO.

ECLI:NL:HR:2015:2845

HR 25.9.2015 ECLI:NL:HR:2015:2845, RvdW 2015 nr. 1019

 Motorvlet zinkt tijdens door Staat opgedragen schoonmaakwerkzaamheden in sluis. Verzekeraar van vlet vordert schadevergoeding van Staat als beheerder van sluis. Aan hand van Kelderluik-criteria oordeelt Hof dat Staat jegens eigenaar van motorvlet heeft gehandeld in strijd met zorgplicht door onvoldoende toezicht te houden tijdens uitvoering van werkzaamheden. Gelet op ernst van aan nivelleringsproces verbonden gevaar (kapseizen van schip met risico van ernstige ongevallen) was Staat ook nu sluis afgesloten was voor scheepvaartverkeer, gehouden toe te zien op veilige afwikkeling van nivelleringsproces. Niet alleen beter toezicht van sluispersoneel maar ook meer oplettendheid van bemanning van vlet had ongeval kunnen voorkomen. Dit heeft in gelijke mate aan schade bijgedragen, zodat helft schade voor rekening van verzekeraar blijft. HR doet zaak af op art. 81 RO.

ECLI:NL:HR:2016:1112

HR 3.6.2016 ECLI:NL:HR:2016:1112

Paardenhouder vordert van gemeente vergoeding van schade als gevolg van feit dat voor verplaatsing van zijn stoeterij vereiste milieuvergunning, nadat deze hem was verleend, tot viermaal toe om uiteenlopende redenen door bestuursrechter is vernietigd. Na eerste vernietiging van vergunning heeft zijn advocaat gemeente aansprakelijk gesteld voor uit vernietiging voortvloeiende schade. In latere brief heeft advocaat over aanpassing van oorspronkelijk contract, noodzaak tot schadeloosstelling en aanbieden van geschikte locatie voor stoeterij geschreven. Bij beoordeling of tweede brief aan eisen van art. 3:317 lid 1 BW voldoet, dient niet alleen te worden gelet op formulering daarvan, maar ook op context waarin mededeling wordt gedaan en op overige omstandigheden van geval (zie o.a. HR 18.9.2015 ECLI:NL:HR:2015:2741). Volgens Hof heeft gemeente als professionele partij in gegeven context, mede tegen achtergrond van eerdere aansprakelijkstelling, deze brief moeten opvatten als mede inhoudende ondubbelzinnige mededeling dat paardenhouder zich zijn recht op schadevergoeding wegens gebreken die aan eerste vergunning kleefden, voorbehield. Dit oordeel houdt stand.
Wordt begunstigend besluit (zoals vergunning) door bestuursrechter (onherroepelijk) vernietigd, dan kan aanvrager op grond van onrechtmatige daad aanspraak maken op vergoeding van schade die hij daardoor lijdt, mits bestuursorgaan ook begunstigend besluit zou hebben genomen indien het wel overeenkomstig wet zou hebben beslist. Dit laatste zal in beginsel kunnen worden aangenomen als bestuursorgaan wanneer het na vernietiging opnieuw beslist, andermaal begunstigend besluit neemt en dat besluit, al dan niet na daartegen ingesteld bezwaar en beroep, onherroepelijk wordt. Dit kan echter ook worden afgeleid uit andere omstandigheden.

ECLI:NL:HR:2016:1454

HR 8.7.2016 ECLI:NL:HR:2016:1454

Eisers die recht van opstal hebben op perceel waarop door hen geplaatste windturbine staat, vorderen uit onrechtmatige daad schadevergoeding van gemeente vanwege weigeren van bouwvergunning voor vervanging van onderdeel windmolen. Gemeente heeft wettelijke beslistermijn overschreden en nagelaten van rechtswege verleende bouwvergunning te publiceren. Voor aansprakelijkheid jegens benadeelde op grond van deze door eisers ingeroepen normen is niet vereist dat benadeelde belanghebbende is in zin van Algemene wet bestuursrecht. Denkbaar is dat belangen van bepaalde "derden", kenbaar voor bestuursorgaan, in zodanige mate betrokken zijn bij besluit dat bestuursorgaan ook jegens deze derden - afhankelijk van verdere omstandigheden van geval - in strijd kan handelen met in maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid door die normen niet na te leven. Hetgeen eisers hebben aangevoerd, komt er op neer dat in hun geval van zodanige kenbare betrokkenheid sprake is en dat daarom onrechtmatig jegens hen is gehandeld.

ECLI:NL:HR:2016:2213

HR 30.9.2016 ECLI:NL:HR:2016:2213

Beleggers in Fortis houden Staat aansprakelijk vanwege informatie die in periode van zondagavond 28 september 2008 tot vrijdagavond 3 oktober 2016 is verspreid over reddingsoperaties ten aanzien van Fortis. Centraal staat verbod van art. 5:58 lid 1 sub d Wft om onjuiste of misleidende informatie te verspreiden over aanbod van, vraag naar of koers van financiële instrumenten. Minister heeft niet steeds volledige informatie verspreid, maar hiervan ging voor beleggers, gegeven hun bekende context waarin reddingsoperaties en informatieverstrekking plaatsvonden, geen misleidend signaal uit of was te vrezen. Keuze van minister om geen volledige informatie te verstrekken werd gerechtvaardigd door belang van stabiliteit van financiële stelsel. Van onrechtmatig handelen is ook geen sprake.

ECLI:NL:HR:2017:18

HR 6.1.2017 ECLI:NL:HR:2017:18

UWV verleent ontslagvergunning na onvoldoende onderzoek en handelt daarmee onrechtmatig. Centraal staat causaliteitsmaatstaf bij onrechtmatig besluit van bestuursorgaan. Hoge Raad maakt onderscheid tussen gevallen waarin (i) bestuursorgaan na vernietiging, intrekking of herroeping van besluit opnieuw in zaak voorziet door nemen van nieuw besluit en (ii) bestaan van causaal verband niet afhankelijk is van nieuw besluit. In eerste situatie is inhoud van nieuwe besluit bepalend voor vraag of eerdere, onrechtmatige besluit tot schade heeft geleid. In tweede situatie dient bestaan van causaal verband tussen onrechtmatig overheidsbesluit en schade te worden beoordeeld naar maatstaf hoe bestuursorgaan zou hebben beslist (of gehandeld) indien het niet onrechtmatig besluit had genomen. Onjuist is opvatting dat indien bestuursorgaan ten tijde van nemen van onrechtmatige besluit rechtmatig besluit had kunnen nemen dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben, causaal verband tussen onrechtmatige besluit en schade (reeds vanwege deze omstandigheid) ontbreekt.

ECLI:NL:HR:2017:987

HR 2.6.2017 ECLI:NL:HR:2017:987

Werknemer stelt Staat aansprakelijk voor schade door tijdens werkzaamheden opgelopen asbestziekte (mesothelioom). Hij stelt dat schade mede gevolg is van regelgevingsfalen en toezichtsfalen. Arbeidsinspectie (thans Inspectie SZW) heeft tot taak toezicht te houden op onder meer naleving van asbestverbod. Inspectie komt bij uitvoering van taak in beginsel grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid toe. Rechter dient terughoudend te zijn bij toetsing. Van onrechtmatig handelen wegens onvoldoende toezicht kan sprake zijn indien schade van werknemer in concreet geval voor Arbeidsinspectie voorzienbaar was, maar zij desalniettemin geen maatregelen heeft getroffen om tot schade leidende overtreding te voorkomen. Naar regels van bewijsrecht is werknemer gehouden tekortschieten van toezicht aan te tonen. Op Staat rust geen verzwaarde motiveringsplicht met betrekking tot uitgevoerde toezicht. Vordering afgewezen.

ECLI:NL:HR:2017:3231

HR 22.12.2017 ECLI:NL:HR:2017:3231

UWV weigert toestemming voor opzeggen van arbeidsverhoudingen, waarna werkgever UWV voor civiele rechter dagvaardt. Hof acht UWV aansprakelijk. UWV heeft ten onrechte aannames (concentratie bedrijfsactiviteiten na sluiting diverse vestigingen) niet feitelijk onderzocht, bijvoorbeeld door toetsing of navraag bij bedrijf en kon deze niet uit door hem ingediende verzoeken afleiden. Afwijzing van verzochte ontslagvergunningen is onrechtmatig. Aan relativiteitsvereiste (art. 6:163 BW) is voldaan: geschonden norm strekt ook ter bescherming van vermogensbelang werkgever. Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (oud; thans art. 7:671a BW) strekt ter bescherming van sociaaleconomische verhoudingen in Nederland. Weliswaar valt dit grotendeels samen met belang werknemer bij voorkomen sociaal ongerechtvaardigd ontslag, maar ook belang werkgever speelt bepaalde rol. Werkgever is direct belanghebbende bij vergunningverlening of -weigering, zodat hij ook aanspraak kan maken op schadevergoeding als rechtstreeks gevolg van ten onrechte geweigerde vergunning.
Hoge Raad doet zaak af op art. 81 lid 1 RO.
A-G gaat in op civielrechtelijke aansprakelijkheid van overheidslichamen voor onjuiste besluiten en behandelt in dat kader uitgebreid relativiteitsvereiste.

ECLI:NL:HR:2019:353

HR 15.3.2019 ECLI:NL:HR:2019:353

 Na vernietiging door Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State van besluit van gemeente om bouwvergunning te weigeren wordt vergunning van rechtswege verleend omdat gemeente te laat op aanvraag heeft beslist. Bouwproject gaat niet door, voor welke schade eiseressen vergoeding van gemeente vorderen. Volgens Hof bestond zeer kleine kans dat bouwplannen zouden zijn gerealiseerd en is deze te gering om schadevergoeding te kunnen toewijzen.
Vernietigd besluit is onrechtmatig vanaf tijdstip dat het is genomen. Daarvoor kan ook aansprakelijkheid bestaan op volgende gronden. Voor aansprakelijkheid van bestuursorgaan in verband met te laat beslissen op aanvraag zijn bijkomende omstandigheden vereist (zie onder meer HR 22.10.2010 ECLI:NL:HR:2010:BM7040 en HR 11.1.2013 ECLI:NL:HR:2013:BX7579). Bijkomende omstandigheden zijn niet aangevoerd, zodat gemeente niet schadeplichtig is wegens overschrijding van wettelijke beslistermijn (van art. 46 lid 1 Woningwet (oud)). Bestuursorgaan kan ook onrechtmatig handelen door aanvrager of in art. 58 Woningwet (oud) genoemde personen er niet van in kennis te stellen dat aangevraagde vergunning van rechtswege is verleend. Daarvoor is beslissend of bestuursorgaan daarmee, gezien omstandigheden van geval, in strijd heeft gehandeld met in maatschappelijk verkeer jegens belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Deze grondslag is hier niet aan orde. Klachten tegen oordeel Hof falen. Cassatieberoep wordt verworpen.

ECLI:NL:HR:2019:354

HR 15.3.2019 ECLI:NL:HR:2019:354

 Provincie geeft aan aannemer aanwijzing, waardoor niet langer volgens verleende ontgrondingsvergunning zand mag worden gewonnen. Deze aanwijzing is onrechtmatig en aannemer vordert schadevergoeding van Provincie. Provincie betwist causaal verband tussen aanwijzing en schade. Hof neemt bij beoordeling van causaal verband tot uitgangspunt dat het erom gaat of nieuwe besluit hetzelfde rechtsgevolg heeft als onrechtmatige besluit. Provincie zou nieuw rechtmatig besluit met hetzelfde rechtsgevolg hebben genomen, namelijk dat aannemer minder steile taludhelling zou moeten hanteren. Condicio sine qua non-verband ontbreekt, zodat vordering wordt afgewezen. Hoge Raad citeert uit HR 6.1.2017 ECLI:NL:HR:2017:18. Condicio sine qua non-verband moet ook in gevallen waarin schade is ontstaan door onrechtmatig besluit, worden vastgesteld door situatie zoals zij zich in werkelijkheid heeft voorgedaan te vergelijken met hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven. Hof heeft dit niet miskend en cassatieberoep wordt verworpen.

lagere rechters

Gerechtshof 's-Gravenhage 18.12.2003 NJ 2004 nr. 203, NJF 2004 nr. 148

Door scheuren in gemeenteriool is grondwater via dat riool weggestroomd. Daardoor is grondwaterpeil verlaagd, waarna houten funderingspalen onder woningen zijn gaan rotten. Gemeente niet aansprakelijk ex art. 6:174 BW. Aan rioleringen mag namelijk niet eis worden gesteld dat deze nimmer een drainerende werking - die tot verlaging van grondwaterpeil kan leiden - mag hebben. Evenmin is gemeente aansprakelijk uit onrechtmatige daad. Niet reeds enkele feit dat schade aan panden als gevolg van lekkages in rioleringen ontstaat, doet rioolbeheerder aansprakelijk zijn. Hoever onderhoudsplicht reikt, hangt af van aantal, aard en lengte van rioleringen, ter beschikking staande financiële en andere middelen, aantal panden met kenbaar kwetsbare funderingen en spreiding daarvan over gemeente. Gemeente heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zorgvuldig beleid voerde met betrekking tot onderhouden en vervangen van rioleringsstelsel.

Gerechtshof 's-Gravenhage 8.4.2004 NJF 2004 nr. 456

Gemeente maakt bekend dat zij in pand naast sportschool gratis heroïne zal gaan verstrekken aan verslaafden. Aantal leden sportschool loopt vervolgens terug, hetgeen uiteindelijk leidt tot sluiting sportschool. Sportschoolhouder houdt gemeente voor schade aansprakelijk. Sportschoolhouder is in vergelijking met andere burgers onevenredig zwaar door maatregel getroffen. Gemeente is gehouden om onevenredig nadeel te compenseren.

Rechtbank Arnhem 2.7.2008 JA 2008 nr. 139

Deel parkeerdek van motel stort in door constructiefout. Eigenaar en aandeelhouder/bestuurder motel spreken 19 partijen, waaronder gemeente aan tot schadevergoeding. Vordering aandeelhouder/bestuurder afgewezen. Gemeente wordt verweten onvoldoende toezicht te hebben gehouden op naleving van door haar verleende bouwvergunningen. Bij bouw is afgeweken van vergunning. Na constatering hiervan heeft gemeente motel verzocht gewijzigde gegevens over constructie in te dienen. Motel heeft aan deze verzoeken niet voldaan. Eigen schuld motel is zo groot dat (eventuele) vergoedingsplicht gemeente vervalt.

Rechtbank Zwolle-Lelystad 17.9.2008 NJ 2009 nr. 114, NJF 2008 nr. 455, JA 2008 nr. 154, RAV 2008 nr. 113

Man verdrinkt 's nachts in recreatieplas ondanks inschakeling van brandweer. Gemeente en brandweer zijn aansprakelijk voor bij hulpverlening gemaakte fouten, omdat brandweer onvoldoende was voorbereid op reddingsactie te water en niet adequaat heeft gehandeld. Definitieve onderdompeling van man had voorkomen kunnen worden. Brandweer heeft aldus niet gehandeld als van redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener in dezelfde omstandigheden mocht worden verwacht. Van schade blijft 2/3 voor rekening en risico van weduwe, omdat te water raken aan eigen onvoorzichtigheid van man te wijten was.

Gerechtshof Arnhem 11.11.2008 NJF 2009 nr. 318

Kadaster maakt fout bij doorhaling van executoriaal beslag van Belastingdienst, waardoor koper van perceel schade lijdt. Art. 117 Kadasterwet behelst geen risicoaansprakelijkheid voor fouten van Kadaster, maar dergelijke fouten worden in beginsel wel zonder meer aan Kadaster toegerekend.

Gerechtshof 's-Gravenhage 24.3.2009 RAV 2009 nr. 59, JA 2009 nr. 88 met noot Van den Broek

Informant stelt Staat aansprakelijk voor psychische schade als gevolg van voor hem optredend ernstig gevaar doordat operatie abrupt is beëindigd door media-aandacht. Op Staat rustte geen plicht om vooraf te onderzoeken of informant geschikt was voor werkzaamheden. Staat heeft onrechtmatig gehandeld door vergoeding van psychische schade informant achterwege te laten en door geen adequate psychische hulp te regelen na beëindiging van inzet. Schade behoort niet tot risico dat informant voor lief had moeten nemen. Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding.

Gerechtshof 's-Gravenhage 24.8.2010 NJ 2011 nr. 418, NJF 2010 nr. 386, RAV 2010 nr. 97

Omwonenden stellen Staat en gemeente Enschede aansprakelijk voor door vuurwerkramp aan hen toegebrachte schade. Bepalend voor aansprakelijkheid is of risico dat Staat en gemeente kenden of behoorden te kennen, gelet op ernst van mogelijke effecten en kans dat deze zouden optreden, zodanig was dat daaruit rechtsplicht voortvloeide om (andere of meer) maatregelen te nemen ter verkleining van risico. Daarbij moet het gaan om risico dat zich met vuurwerkramp heeft verwezenlijkt. Niet kan worden aangenomen dat Staat en gemeente risico van massa-explosie voor ramp kenden of hadden moeten kennen, zodat niet kan worden geëist dat zij met oog daarop maatregelen namen. Voor uitzondering op formele rechtskracht van bestemmingsplannen en verleende vergunningen is geen plaats, zodat van rechtmatigheid daarvan moet worden uitgegaan. Het door gemeente niet handhavend optreden tegen zonder bouwvergunning geplaatste boxen en zeecontainers betreft discretionaire bevoegdheid en leidt niet tot aansprakelijkheid.