English

Jurisprudentie

Productenaansprakelijkheid

art. 6:185 BW e.v.


HR 22.9.2000 NJ 2000 nr. 644

Leverancier van beweerdelijk gebrekkig product is niet producent van dat product en kan ook niet aan producent gelijk worden gesteld.

HR 27.4.2001 NJ 2002 nr. 213 met noot Hijma

Verkoper van industrieel vervaardigde meststof wordt aansprakelijk gehouden door rozenkweker omdat meststof herbicide bevat. Meststof was niet door verkoper geproduceerd en gebrek was geheel buiten zijn toedoen ontstaan. Verkoper kende noch behoorde gebrek te kennen. Krachtens de in het verkeer geldende opvattingen (art. 6:75 BW) moet echter toch tekortkoming, bestaande in gebrek van verkochte product, in beginsel voor rekening van verkoper komen, behoudens door verkoper te bewijzen bijzondere omstandigheden. Een en ander sluit aan bij – in dit geval niet toepasselijke – regel van consumentenkoop van art. 7:24 BW.

lagere rechters

HvJ EG 10.5.2001 VR 2001 nr. 111

Donornier wordt in Deens ziekenhuis gespoeld met gebrekkige vloeistof waardoor nier ongeschikt wordt voor transplantatie. Uitzondering van productaansprakelijkheidsrecht (producent is niet aansprakelijk als hij bewijst dat hij product niet in verkeer heeft gebracht) moet beperkt worden uitgelegd. Vloeistof is in verkeer gebracht hoewel vloeistof ziekenhuis (waar vloeistof is gemaakt) niet heeft verlaten. Bepaling dat producent niet aansprakelijk is als product noch voor verkoop of voor enige andere vorm van verspreiding met economisch doel door producent is vervaardigd, noch is vervaardigd of verspreid in kader van uitoefening van zijn beroep "geldt niet voor een gebrekkig product dat is vervaardigd en gebruikt in het kader van een bepaalde medische dienstverrichting die volledig met openbare middelen wordt gefinancierd zonder financiële bijdrage van de patiënt".

HR 29.11.2002 NJ 2003 nr. 50

Groep telers van sla spreekt Duitse importeur van ondeugdelijk bestrijdingsmiddel aan tot schadevergoeding. Importeur heeft bestrijdingsmiddel doorgeleverd aan Nederlandse groothandel. Assuradeur van groothandel heeft schade ten titel van geldlening betaald onder voorwaarde dat telers meewerken aan regres op importeur. Telers hebben voldoende belang bij vordering als vereist in art. 3:303 BW, nu instelling daarvan voorwaarde was om geldlening te verkrijgen. Feit dat verplichting tot teruggave onder voorwaarde van winnen procedure bestaat, maakt geldleningsovereenkomst niet tot schijnhandeling. Op vordering is productaansprakelijkheidsrecht van vóór 1992 van toepassing omdat transacties voordien plaatsvonden. Bestrijdingsmiddel bood bij te verwachten gebruik niet veiligheid die slatelers daarvan mochten verwachten. Geen risico- maar schuldaansprakelijkheid, hetgeen in onderhavige geval door Hof onvoldoende gemotiveerd is.

ECLI:NL:HR:2013:978

HR 18.10.2013 ECLI:NL:HR:2013:978, RvdW 2103 nr. 1253

Patiënte ondergaat in ziekenhuis operatie waarbij natuurlijke hartklep wordt vervangen door mechanische hartklep. Bij controle blijkt hartklepprothese te lekken doordat deze niet goed sluit. Patiënte heeft geen cardiale klachten. Geïmplanteerde klep wordt vervangen, waarna opnieuw sprake is van lekkage zonder klachten. Patiënte vordert schadevergoeding van ziekenhuis, arts en importeur van hartklep. Geïmplanteerde hartkleppen zijn niet gebrekkig. Niet goed sluiten van hartklep doet niet af aan goede werking en veiligheid daarvan. Er is sprake van 'goedaardig fenomeen'. Het is onvoldoende aannemelijk dat patiënte gezondheidsschade heeft geleden. Arts is bij beide operaties niet tekortgeschoten in informatieplicht. Hartklepprothese was CE-gecertificeerd en arts had geen reden om te twijfelen aan veiligheid daarvan. Vorderingen van patiënte afgewezen. Cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO verworpen.

ECLI:NL:HR:2016:369

HR 4.3.2016 ECLI:NL:HR:2016:369

Chauffeur loopt bij eenzijdig ongeval tijdens slechte weersomstandigheden met door hem bestuurde vrachtwagen ernstig letsel op. Kantelbare cabine van vrachtwagen is bij ongeval naar voren op wegdek geklapt. Cabine blijkt te zijn gekanteld door gebrek in vergrendelmechaniek. Causaal verband tussen letsel en kantelen cabine staat ter discussie. In dictum oordeelt Rechtbank dat producent van vrachtwagen (ex art. 185 BW) aansprakelijk is voor door chauffeur ten gevolge van ongeval opgelopen letsel en daaruit voortvloeiende schade. Hof bekrachtigt dit. Producent betoogt dat dictum te ruim is geformuleerd. Klacht kan wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Dictum van uitspraak dient te worden uitgelegd met inachtneming van overwegingen die tot die beslissing hebben geleid. Uit overwegingen Hof blijkt dat het heeft geoordeeld dat producent aansprakelijk is voor letselschade van chauffeur ten gevolge van gebrek in vergrendelmechanisme van cabine van vrachtwagen.

ECLI:NL:HR:2016:369

HR 4.3.2016 ECLI:NL:HR:2016:369

Chauffeur loopt letsel op doordat vrachtwagencabine naar voren op wegdek klapt. Hij stelt producent van vrachtwagen aansprakelijk voor zijn schade. Rechtbank oordeelt dat sprake is van gebrek ex art. 6:185 BW in vergrendelmechanisme van cabine en verklaart voor recht dat producent aansprakelijk is voor door chauffeur als gevolg van ongeval opgelopen letsel en daaruit voortvloeiende schade. Hof bekrachtigt dit. Producent klaagt in cassatie dat dictum van bekrachtigd vonnis te ruim is geformuleerd, omdat hij alleen aansprakelijk is voor gevolgen van gebrek aan cabine. Dictum van uitspraak dient te worden uitgelegd met inachtneming van overwegingen die tot beslissing hebben geleid. Uit overwegingen blijkt dat oordeel van Hof is dat producent aansprakelijk is voor letselschade van chauffeur als gevolg van gebrek in vergrendelmechanisme.

Rechtbank Leeuwarden 24.1.2007 NJF 2007 nr. 198

Vuurwerk veroorzaakt lichamelijk letsel. Slachtoffer stelt importeur vuurwerk ex art. 6:187 lid 3 BW aansprakelijk. Vuurwerk gebrekkig product omdat deel ervan op hoogte van drie meter uiteen is gespat terwijl dit ingevolge Vuurwerkbesluit en gebruiksaanwijzing niet had mogen gebeuren.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28.8.2007 JA 2007 nr. 163, RAV 2007 nr. 49

Ondanks handelingen van artsen om anticonceptiemiddel Implanon (staafje in arm) in te brengen, zijn vijftien vrouwen zwanger geraakt. Zij stellen producent van Implanon en artsen aansprakelijk voor hun schade. Op vordering jegens producent is regeling van art. 6:185 e.v. BW van toepassing. Op grond van art. 6:188 BW (en art. 150 Rv) moeten vrouwen bewijzen dat mogelijk is dat correct ingebracht staafje ongemerkt lichaam verlaat. Slagen zij daarin, dan bezat Implanon niet de veiligheid die ervan mocht worden verwacht en is producent aansprakelijk, tenzij hij bewijst dat schade ook zou zijn ontstaan als zou zijn gewaarschuwd voor mogelijkheid van ongemerkte expulsie. Volgt terugverwijzing naar Rechtbank en deskundigenbericht.

Rechtbank Amsterdam 17.12.2008 NJ 2009 nr. 311, NJF 2009 nr. 21, JA 2009 nr. 9, RAV 2009 nr. 32

Vordering ex-roker tegen tabaksproducenten. Betoog dat sigaretten niet veiligheid boden die men mocht verwachten, faalt. Gemiddelde, krantenlezende consument kon in 1963 bekend zijn met gezondheidsgevaren verbonden aan roken en dat geldt ook voor eiser. Door eiser gestelde verslaving niet aangenomen, nu eerste poging te stoppen met roken succesvol was. Voor producent gold geen waarschuwingsplicht, nu geen sprake was van verborgen risico's. Wel is laakbaar dat producent in publicatie gevaar van roken bagatelliseerde, maar dergelijke uitingen zijn onvoldoende voor aannemen van aansprakelijkheid.