English

Actualiteiten

Actualiteiten week 44, 2018

ECLI:NL:HR:2018:1973

HR 19.10.2018 ECLI:NL:HR:2018:1973

Bedrijven uit energiebesparingsbranche stellen Staat aansprakelijk voor te laat of onjuist implementeren van Europese richtlijnen betreffende energieprestatie van gebouwen (EPB-richtlijnen). Zowel Unierecht als Nederlandse recht stelt eis dat komt vast te staan dat niet-tijdig of onjuist omgezette EU-richtlijn mede strekt tot bescherming van individuele vermogensbelangen van gedupeerden, althans dat laatstgenoemde belangen zodanig nauw samenhangen met door richtlijn nagestreefde doelstellingen dat schade die is ontstaan door niet niet-tijdige of onjuiste omzetting, valt onder beschermingsbereik van richtlijn. Met EPB-richtlijnen is beoogd te komen tot positieve milieueffecten als gevolg van verbeterde energieprestaties van gebouwen. Dat voor verwezenlijking van die doelstelling betrokkenheid van met opstellen van energiecertificaten belaste deskundigen vereist is, betekent niet dat economische en financiƫle belangen van deze deskundigen worden beschermd door EPB-richtlijnen, en evenmin dat die belangen zodanig nauw samenhangen met door die richtlijnen nagestreefde doelstellingen dat zij op die grond onder beschermingsbereik van die richtlijnen vallen (vgl. HvJEU 14.3.2013 ECLI:EU:C:2013:166). Aan Unierechtelijk relativiteitsvereiste noch relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW is voldaan, zodat vorderingen worden afgewezen.

ECLI:NL:HR:2018:1975

HR 19.10.2018 ECLI:NL:HR:2018:1975

Werkgever is aansprakelijk voor blijvende invaliditeit van werknemer als gevolg van verkeersongeval met autoambulance. Hof heeft werkgever veroordeeld tot betaling van door werknemer naar aanleiding van ongeval geleden schade, nader op te maken bij staat. In schadestaatprocedure is vraag of aansprakelijkheid van werkgever beperkt is tot bedrag dat werknemer zou hebben ontvangen indien behoorlijke verzekering ten behoeve van werknemers zou zijn afgesloten. Op basis van latere jurisprudentie (HR 1.2.2008 ECLI:NL:HR:2008:BB6175 en ECLI:NL:HR:2008:BB4767) oordeelt Hof dat werkgever dient te vergoeden bedrag waarvoor behoorlijke verzekering dekking zou hebben verleend. Uitgangspunt is dat rechter in hoofdprocedure grondslag voor aansprakelijkheid vaststelt en dat rechter in schadestaatprocedure gebonden is aan dat oordeel. Arrest van Hof in hoofdprocedure laat geen andere uitleg toe dan dat grondslag voor door Hof aangenomen aansprakelijkheid van werkgever is gelegen in rechtstreeks op art. 7:611 BW berustende verplichting van werkgever om werknemer diens schade als gevolg van arbeidsgerelateerd verkeersongeval te vergoeden. Hof acht werkgever op die grondslag aansprakelijk voor schade die werknemer lijdt als gevolg van hem overkomen verkeersongeval, en dus niet voor schade die werknemer lijdt als gevolg van ontbreken van adequate verzekering. Uitleg Hof van arrest in hoofdprocedure is onbegrijpelijk. Volgt vernietiging.