English

Actualiteiten

Actualiteiten week 5, 2018

ECLI:NL:HR:2017:3268

HR 22.12.2017 ECLI:NL:HR:2017:3268

In twee zaken hebben de bij een ongeval betrokken bestuurders pas na het ongeval, maar op dezelfde dag een WAM-verzekering afgesloten. WAM-verzekeraars weigeren de door de benadeelden geleden (letsel)schade te vergoeden, omdat de motorrijtuigen ten tijde van het ongeval onverzekerd waren. Verzekeraars zijn in het RDW-register opgenomen als WAM-verzekeraar van de betrokken voertuigen met ingang van de dag van het ongeval. Het RDW-register biedt niet de mogelijkheid om een tijdstip te registreren met ingang waarvan een verzekering dekking biedt.
De centrale vraag in deze prejudiciƫle procedure is of de verzekeraar aan de benadeelde kan tegenwerpen dat de verzekeringsdekking nog niet was ingegaan op het tijdstip waarop het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan. Art. 11 lid 1 WAM is gebaseerd op en komt overeen met art. 11 paragraaf 1 van de Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Benelux-overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. Deze bepaling biedt geen grond om aan te nemen dat de omstandigheid dat voor het betrokken motorrijtuig op het moment waarop het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan, (nog) in het geheel geen verzekeringsovereenkomst met de betrokken verzekeraar van kracht was, tot de rechtsfeiten behoort die de verzekeraar een benadeelde niet kan tegenwerpen. Een verzekering biedt in beginsel slechts de dekking die is overeengekomen, ook waar het betreft het aanvangsmoment van de dekking.
Hieraan wordt voor het Nederlandse recht niet afgedaan door art. 13 lid 7 WAM, dat niet is gebaseerd op het Benelux-verdrag. Art. 13 lid 7 WAM houdt mede in dat de verzekeraar het daarin neergelegde wettelijke bewijsvermoeden mag ontkrachten. Deze bepaling brengt niet mee dat de verzekeraar aansprakelijk is voor schade waarvan vaststaat dat deze is ontstaan voor het tijdstip van ingang van de verzekeringsdekking. Indien de na het schadetoebrengende feit tot stand gekomen verzekeringsovereenkomst wel dekking biedt voor de aan die totstandkoming voorafgaande periode waarin dat feit zich heeft voorgedaan, staat art. 11 lid 1 WAM eraan in de weg dat de verzekeraar de benadeelde tegenwerpt dat zich geen onzeker voorval heeft voorgedaan.

ECLI:NL:HR:2017:3250

HR 22.12.2017 ECLI:NL:HR:2017:3250

De Hoge Raad zet het toetsingskader voor een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor uiteen.
Een voorlopig getuigenverhoor strekt onder meer ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te krijgen over de feiten, teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen (zie bijv. HR 24.3.1995 ECLI:NL:HR:1995:ZC1683). De verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor dient in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden, alsmede de feiten of rechten die hij wil bewijzen. Niet is vereist dat de verzoeker al nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen (zie bijv. HR 19.2.1993 ECLI:NL:HR:1993:ZC0878). Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer HR 11.2.2005 ECLI:NL:HR:2005:AR6809) kan een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (art. 3:13 BW), op de grond dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde, en op de grond dat het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (art. 3:303 BW).